Veel opwinding deze week over de (mogelijke) aankoop van het
Rijksmuseum van twee portretten ten voeten uit van het kersverse echtpaar
Marten Soolmans en Oopjen Coppit. Niet alleen vanwege de schilder,
Rembrandt, maar ook door het astronomische aankoopbedrag van
160 miljoen euro. De portretten werden in
1634 geschilderd.
De jonge Rembrandt maakte de portretten in het atelier van de doopsgezinde Fries
Hendrick van Uylenburgh, met wiens nichtje
Saskia hij getrouwd was. Haar nichtje
Hendrickje van Uylenburgh was weer getrouwd met de Leeuwarder kunstschilder
Wybrand de Geest.
Hoewel nog niet veel voorkomend was de pose 'ten voeten uit' zeker geen uitvinding van Rembrandt. Oorspronkelijk was het voorbehouden aan portretten van koningen en stadhouders, maar dat veranderde met de snel rijk geworden kooplieden. Het is waarschijnlijk dat zijn opdrachtgevers Rembrandt dit specifiek vroegen maar het is zelfs mogelijk dat hij naar Friese voorbeelden geschilderd heeft, zoals het portret van
Doed Holdinga (Meester van het Adie Lambertsportret),
Sophia van Vervou (LJ Woutersin) en de uit
hetzelfde jaar 1634 stammende, veel minder zwierige, portretten door
Wybrand de Geest van de
Vrijheer van Ameland,
Wytze van Cammingha en wederom
Sophia van Vervou (1632). Ook deze portretten zijn een
imposante twee meter hoog. Let u vooral op de schoenen van de heren!
De Friese kunsthistoricus
Abraham Wassenbergh, in
De portretkunst in Friesland in de zeventiende eeuw (1967), en vooral
Bas Dudok van Heel in zijn essay '
Toen hingen burgers als vorsten aan de muur' in de tentoonstellingscatalogus van het Amsterdam Museum,
Kopstukken, 2002, op blz. 52 gaan specifiek in op de mogelijke link tussen Rembrandt en de Friezen. Maar hoe het precies zit staat helaas niet vast. In Amsterdam werden in de jaren 1620 ook al burgers ten voeten uit geschilderd door kunstenaars als
Cornelis van der Voort (wiens atelier Uylenburgh overnam) en
Pickenoy, maar stilistisch lijkt de portretproductie in Uylenburghs atelier beter aan te sluiten bij de Friese portretten, aldus Dudok.
Wytze van Cammingha en Sophia van Vervou zijn ook paginagroot afgebeeld op bladzijde 88 en 89 van
De Friese schilderkunst in de Gouden Eeuw van kunsthistoricus
Piet Bakker.
De voorzitter van het
Mondriaanfonds,
Birgit Donker,
vroeg in een artikel de aandacht voor de kunstwereld in zijn algemeenheid, die juist het afgelopen jaar met stevige bezuinigingen is geconfronteerd ('laat deze twee Rembrandts het begin zijn van een renaissance van de cultuurpolitiek'). De politici zijn heel snel en opportunistisch akkoord gegaan met het voorlopig koopcontract voor de Rembrandt-schilderijen, maar zullen ze nu ook weer blijvend investeren in andere Nederlandse kunst?
Update, maart 2018: Nadat de portretten van Wytze en Sophia op een tentoonstelling in het Franeker
museum Martena (Wie het breed heeft... Thuis bij Wytze en Sophia, 17 juni tot 5 november 2017) gehangen hebben, geopend door Rijksmuseum conservator
Jonathan Bikker, hangen ze nu ook op een prominente plaats vlakbij
Marten en Oopjen in de
tentoonstelling High Society in het
Rijksmuseum (zie ook foto hieronder)!
Aardig is ook een
brief van Sophia uit 1664 waarin ze haar neef
Philip Ernst Vegelin van Claerbergen, secretaris van
stadhouder Willem Frederik, om een gunst vraagt voor haar minnaar, de Ostfriese Cartesiaan
Johannes Wubbena.
 |
| Sophia van Vervou |
 |
| Wytze van Cammingha |