Begin mei was ik in Rusland, in Sint-Petersburg en Moskou. In Sint-Petersburg, vanaf 1703 door tsaar Peter gebouwd met behulp van o.a. veel ambachtslieden uit de Republiek, moet je natuurlijk het wereldberoemde Hermitage bezoeken.
In de loop der eeuwen zijn door de tsaren honderden Hollandse meesters verzameld, die dan ook na aankoop nooit meer in Nederland te zien waren. Deze schilderijen werden vaak via agenten op veilingen gekocht en per schip over de Oostzee getransporteerd. Eenmaal ging dit mis en belandde de lading van 27 Hollandse Meesters in het schip de Vrouw Maria op de zeebodem!
Een van de mooiste schilderijen in de vaste collectie in Sint-Petersburg is Rembrandts Flora, een portret van zijn Friese echtgenote Saskia van Uylenburgh, die hij in hun trouwjaar 1634 schilderde. Argeloos kijkt ze de aanschouwer aan. In hetzelfde jaar schilderde Rembrandt de inmiddels beroemde portretten van Marten en Oopjen, terwijl Wybrand de Geest (in 1622 getrouwd met Hendrickje Uylenburgh, een nicht van Saskia) de weelderige Vrijheer van Ameland, Wytze van Cammingha schilderde.
Saskia, geboren in Leeuwarden, woonde vanaf haar twaalfde, toen ze wees werd (1624), met haar broer Geert en zus Titia in het gezin van haar oudere zus Hiskje van Uylenburgh in Sint Annaparochie. Hiskje van Uylenburgh was gehuwd met jurist Gerrit van Loo, secretaris van Het Bildt.
Saskia woonde in 1634 tijdelijk in Franeker, waar ze haar zwager, de Poolse hoogleraar Johannes Maccovius, hielp nadat zijn vrouw Antje van Uylenburgh was overleden.
In 1642 overleed Saskia op 29-jarige leeftijd, vermoedelijk aan tuberculose. Ze werd begraven in de Oude Kerk te Amsterdam, waar hedentendage haar grafsteen nog te zien is. Elk jaar op 9 maart om precies acht over half negen in de ochtend valt de zon op het graf. Er is dan een ontbijtbijeenkomst in de kerk met muziek en een korte lezing.
Sinds afgelopen week is Saskia, middels haar portret als Flora, terug in Amsterdam. Het Hermitage in Sint-Petersburg heeft haar, samen met diverse andere Hollandse Meesterwerken, uitgeleend aan het Hermitage aan de Amstel in Amsterdam. Daar schittert ze nu in het middelpunt van wat al het Rembrandtplein wordt genoemd, de centrale ruimte met diverse schilderijen van Rembrandt, maar ook van fijnschilder Gerard Dou, de zoon van Harlinger glasschilder Douwe Jans. (Dou is dus een verkorte versie van het patroniem Douwes.)
Posts tonen met het label Wybrand de Geest. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Wybrand de Geest. Alle posts tonen
maandag 9 oktober 2017
zondag 21 februari 2016
Unieke bewaard gebleven 17e eeuwse kleding van Friese stadhouders in Rijksmuseum
Afgelopen zaterdag was ik in het Rijksmuseum, waar twee nieuwe tentoonstellingen waren geopend. De ene draaide om de Amsterdamse schilder George Hendrik Breitner, die van zijn jonge muze Geesje Kwak vele schilderijen in kimono maakte. Deze Japanse mantel (vandaar de naam japon) was veelal zeer kleurrijk en werd door Breitner in opdracht van een fabrikant gepromoot. Interessant is dat Breitner ook al vroeg veel foto's maakte van Amsterdamse straattaferelen.
De andere tentoonstelling heeft een focus op Mode, met onder andere een spectaculaire ronddraaiende catwalk en gigantische jurken, ingericht door fotograaf Erwin Olaf die ook een prachtig portret maakte van het Groningse model Ymre Stiekema.
Maar wat mij het meeste opviel was een aparte zaal met de enige in Nederland bewaard gebleven 17e eeuwse kleding. Het betrof namelijk de kleding van de Friese stadhouders Ernst Casimir en zijn zoon Hendrik Casimir. Beide sneuvelden op het slagveld en werden als helden vereerd. Hun kleding werd voor het eerst als een soort relikwie bewaard.
Van Ernst Casimir van Nassau-Dietz is de hoed met kogelgat tentoongesteld, met daarnaast zelfs de kogel en enkele botjes. Ook is er een onderbroek, pofbroek en ruitermantel van Ernst Casimir in de vitrines te zien, naast een zeemleren kolder van Hendrik Casimir.
Centraal in de zaal staat een schilderij van Ernst Casimir door de Friese hofschilder Wybrand de Geest.
Ook is er een hemd van Willem Frederik van Nassau-Dietz, die wel eens contact had met de Fries Pibo van Doma te Fogelsanghstate die hem hielp de hand van Albertine Agnes bij haar moeder Amalia van Solms te vragen.
Het informatiepaneel in het Rijksmuseum vermeldt: Uit respect. Dit zijn de enige kledingstukken uit de 17de eeuw die in Nederland over zijn gebleven. Het was in dit land geen traditie om kleren voor het nageslacht te bewaren. Dit komt mogelijk door het ontbreken van grote landhuizen en familiekastelen. Toch hebben de kleren in deze zaal wél de tijd doorstaan, omdat zij herinneren aan helden die vielen voor het vaderland.
Ze zijn gedragen door de Friese stadhouders Ernst Casimir en zijn zoon Hendrik Casimir. Beiden stierven heldhaftig nadat ze waren neergeschoten op het slagveld. Niet alleen de voorwerpen met de kogelgaten, hun hoed en leren kolder, zijn geconserveerd. Ook de overige kleren (zelfs een onderbroek!) zijn niet vergeten.
In 1628 werden in Zweden voor het eerst koninklijke kledingstukken bewaard, ter nagedachtenis aan het staatshoofd dat zijn land had verdedigd. Dit voorbeeld werd in 1632 nagevolgd aan het Friese stadhouderlijk hof in Leeuwarden, door Ernst Casimirs kleren tentoon te stellen en vervolgens te koesteren als relieken.
De lijkstatie van Ernst Casimir in 1633 in Leeuwarden was ook een waar spektakel. Er is een prachtige reeks tekeningen van bewaard gebleven, waarop de hele Friese adel paradeert.
Over de lijkstatie van Willem Frederik is in 1918 een artikel verschenen in De Vrije Fries.
Ook hij kwam door een kogel om het leven, maar dan wel eentje die hij zelf per ongeluk afvuurde toen hij in 1664 zijn pistool (ook bewaard in het Rijksmuseum) schoonmaakte.
Een briefje dat hij vlak daarna aan zijn hofmeester Vegelin van Claerbergen schreef met bloedvlekken is nog in de collectie van Tresoar aanwezig.
Update: Marlies Stoter, conservator bij het Fries Museum, meldt een recenter artikel van haar hand over de lijkstatie van Willem Frederik in Jaarboek Oranje Nassau 2012: "‘Soo Godt belieft, kom ick’: De begrafenisstoet van Willem Frederik van Nassau-Dietz als spiegel van zijn netwerken" , Jaarboek Oranje Nassau 2012. pp. 50-67.
De andere tentoonstelling heeft een focus op Mode, met onder andere een spectaculaire ronddraaiende catwalk en gigantische jurken, ingericht door fotograaf Erwin Olaf die ook een prachtig portret maakte van het Groningse model Ymre Stiekema.
![]() |
| Ruitermantel Ernst Casimir |
Van Ernst Casimir van Nassau-Dietz is de hoed met kogelgat tentoongesteld, met daarnaast zelfs de kogel en enkele botjes. Ook is er een onderbroek, pofbroek en ruitermantel van Ernst Casimir in de vitrines te zien, naast een zeemleren kolder van Hendrik Casimir.
Centraal in de zaal staat een schilderij van Ernst Casimir door de Friese hofschilder Wybrand de Geest.
Ook is er een hemd van Willem Frederik van Nassau-Dietz, die wel eens contact had met de Fries Pibo van Doma te Fogelsanghstate die hem hielp de hand van Albertine Agnes bij haar moeder Amalia van Solms te vragen.
Het informatiepaneel in het Rijksmuseum vermeldt: Uit respect. Dit zijn de enige kledingstukken uit de 17de eeuw die in Nederland over zijn gebleven. Het was in dit land geen traditie om kleren voor het nageslacht te bewaren. Dit komt mogelijk door het ontbreken van grote landhuizen en familiekastelen. Toch hebben de kleren in deze zaal wél de tijd doorstaan, omdat zij herinneren aan helden die vielen voor het vaderland.
![]() |
| Pofbroek Ernst Casimir |
In 1628 werden in Zweden voor het eerst koninklijke kledingstukken bewaard, ter nagedachtenis aan het staatshoofd dat zijn land had verdedigd. Dit voorbeeld werd in 1632 nagevolgd aan het Friese stadhouderlijk hof in Leeuwarden, door Ernst Casimirs kleren tentoon te stellen en vervolgens te koesteren als relieken.
De lijkstatie van Ernst Casimir in 1633 in Leeuwarden was ook een waar spektakel. Er is een prachtige reeks tekeningen van bewaard gebleven, waarop de hele Friese adel paradeert.
Over de lijkstatie van Willem Frederik is in 1918 een artikel verschenen in De Vrije Fries.
Ook hij kwam door een kogel om het leven, maar dan wel eentje die hij zelf per ongeluk afvuurde toen hij in 1664 zijn pistool (ook bewaard in het Rijksmuseum) schoonmaakte.
Een briefje dat hij vlak daarna aan zijn hofmeester Vegelin van Claerbergen schreef met bloedvlekken is nog in de collectie van Tresoar aanwezig.
Update: Marlies Stoter, conservator bij het Fries Museum, meldt een recenter artikel van haar hand over de lijkstatie van Willem Frederik in Jaarboek Oranje Nassau 2012: "‘Soo Godt belieft, kom ick’: De begrafenisstoet van Willem Frederik van Nassau-Dietz als spiegel van zijn netwerken" , Jaarboek Oranje Nassau 2012. pp. 50-67.
Labels:
Albertine Agnes,
Amalia van Solms,
Ernst Casimir,
Friese,
Friesland,
Hendrik Casimir,
hoed,
kleding,
kogel,
kogelgat,
mode,
Nassau,
rijksmuseum,
stadhouder,
Wybrand de Geest
woensdag 23 september 2015
Het Friese equivalent van de Rembrandts van 160 miljoen
Veel opwinding deze week over de (mogelijke) aankoop van het Rijksmuseum van twee portretten ten voeten uit van het kersverse echtpaar Marten Soolmans en Oopjen Coppit. Niet alleen vanwege de schilder, Rembrandt, maar ook door het astronomische aankoopbedrag van 160 miljoen euro. De portretten werden in 1634 geschilderd.
De jonge Rembrandt maakte de portretten in het atelier van de doopsgezinde Fries Hendrick van Uylenburgh, met wiens nichtje Saskia hij getrouwd was. Haar nichtje Hendrickje van Uylenburgh was weer getrouwd met de Leeuwarder kunstschilder Wybrand de Geest.
Hoewel nog niet veel voorkomend was de pose 'ten voeten uit' zeker geen uitvinding van Rembrandt. Oorspronkelijk was het voorbehouden aan portretten van koningen en stadhouders, maar dat veranderde met de snel rijk geworden kooplieden. Het is waarschijnlijk dat zijn opdrachtgevers Rembrandt dit specifiek vroegen maar het is zelfs mogelijk dat hij naar Friese voorbeelden geschilderd heeft, zoals het portret van Doed Holdinga (Meester van het Adie Lambertsportret), Sophia van Vervou (LJ Woutersin) en de uit hetzelfde jaar 1634 stammende, veel minder zwierige, portretten door Wybrand de Geest van de Vrijheer van Ameland, Wytze van Cammingha en wederom Sophia van Vervou (1632). Ook deze portretten zijn een imposante twee meter hoog. Let u vooral op de schoenen van de heren!
De Friese kunsthistoricus Abraham Wassenbergh, in De portretkunst in Friesland in de zeventiende eeuw (1967), en vooral Bas Dudok van Heel in zijn essay 'Toen hingen burgers als vorsten aan de muur' in de tentoonstellingscatalogus van het Amsterdam Museum, Kopstukken, 2002, op blz. 52 gaan specifiek in op de mogelijke link tussen Rembrandt en de Friezen. Maar hoe het precies zit staat helaas niet vast. In Amsterdam werden in de jaren 1620 ook al burgers ten voeten uit geschilderd door kunstenaars als Cornelis van der Voort (wiens atelier Uylenburgh overnam) en Pickenoy, maar stilistisch lijkt de portretproductie in Uylenburghs atelier beter aan te sluiten bij de Friese portretten, aldus Dudok.
Wytze van Cammingha en Sophia van Vervou zijn ook paginagroot afgebeeld op bladzijde 88 en 89 van De Friese schilderkunst in de Gouden Eeuw van kunsthistoricus Piet Bakker.
De voorzitter van het Mondriaanfonds, Birgit Donker, vroeg in een artikel de aandacht voor de kunstwereld in zijn algemeenheid, die juist het afgelopen jaar met stevige bezuinigingen is geconfronteerd ('laat deze twee Rembrandts het begin zijn van een renaissance van de cultuurpolitiek'). De politici zijn heel snel en opportunistisch akkoord gegaan met het voorlopig koopcontract voor de Rembrandt-schilderijen, maar zullen ze nu ook weer blijvend investeren in andere Nederlandse kunst?
Update, maart 2018: Nadat de portretten van Wytze en Sophia op een tentoonstelling in het Franeker museum Martena (Wie het breed heeft... Thuis bij Wytze en Sophia, 17 juni tot 5 november 2017) gehangen hebben, geopend door Rijksmuseum conservator Jonathan Bikker, hangen ze nu ook op een prominente plaats vlakbij Marten en Oopjen in de tentoonstelling High Society in het Rijksmuseum (zie ook foto hieronder)!
Aardig is ook een brief van Sophia uit 1664 waarin ze haar neef Philip Ernst Vegelin van Claerbergen, secretaris van stadhouder Willem Frederik, om een gunst vraagt voor haar minnaar, de Ostfriese Cartesiaan Johannes Wubbena.
De jonge Rembrandt maakte de portretten in het atelier van de doopsgezinde Fries Hendrick van Uylenburgh, met wiens nichtje Saskia hij getrouwd was. Haar nichtje Hendrickje van Uylenburgh was weer getrouwd met de Leeuwarder kunstschilder Wybrand de Geest.
Hoewel nog niet veel voorkomend was de pose 'ten voeten uit' zeker geen uitvinding van Rembrandt. Oorspronkelijk was het voorbehouden aan portretten van koningen en stadhouders, maar dat veranderde met de snel rijk geworden kooplieden. Het is waarschijnlijk dat zijn opdrachtgevers Rembrandt dit specifiek vroegen maar het is zelfs mogelijk dat hij naar Friese voorbeelden geschilderd heeft, zoals het portret van Doed Holdinga (Meester van het Adie Lambertsportret), Sophia van Vervou (LJ Woutersin) en de uit hetzelfde jaar 1634 stammende, veel minder zwierige, portretten door Wybrand de Geest van de Vrijheer van Ameland, Wytze van Cammingha en wederom Sophia van Vervou (1632). Ook deze portretten zijn een imposante twee meter hoog. Let u vooral op de schoenen van de heren!
De Friese kunsthistoricus Abraham Wassenbergh, in De portretkunst in Friesland in de zeventiende eeuw (1967), en vooral Bas Dudok van Heel in zijn essay 'Toen hingen burgers als vorsten aan de muur' in de tentoonstellingscatalogus van het Amsterdam Museum, Kopstukken, 2002, op blz. 52 gaan specifiek in op de mogelijke link tussen Rembrandt en de Friezen. Maar hoe het precies zit staat helaas niet vast. In Amsterdam werden in de jaren 1620 ook al burgers ten voeten uit geschilderd door kunstenaars als Cornelis van der Voort (wiens atelier Uylenburgh overnam) en Pickenoy, maar stilistisch lijkt de portretproductie in Uylenburghs atelier beter aan te sluiten bij de Friese portretten, aldus Dudok.
Wytze van Cammingha en Sophia van Vervou zijn ook paginagroot afgebeeld op bladzijde 88 en 89 van De Friese schilderkunst in de Gouden Eeuw van kunsthistoricus Piet Bakker.
De voorzitter van het Mondriaanfonds, Birgit Donker, vroeg in een artikel de aandacht voor de kunstwereld in zijn algemeenheid, die juist het afgelopen jaar met stevige bezuinigingen is geconfronteerd ('laat deze twee Rembrandts het begin zijn van een renaissance van de cultuurpolitiek'). De politici zijn heel snel en opportunistisch akkoord gegaan met het voorlopig koopcontract voor de Rembrandt-schilderijen, maar zullen ze nu ook weer blijvend investeren in andere Nederlandse kunst?
Update, maart 2018: Nadat de portretten van Wytze en Sophia op een tentoonstelling in het Franeker museum Martena (Wie het breed heeft... Thuis bij Wytze en Sophia, 17 juni tot 5 november 2017) gehangen hebben, geopend door Rijksmuseum conservator Jonathan Bikker, hangen ze nu ook op een prominente plaats vlakbij Marten en Oopjen in de tentoonstelling High Society in het Rijksmuseum (zie ook foto hieronder)!
Aardig is ook een brief van Sophia uit 1664 waarin ze haar neef Philip Ernst Vegelin van Claerbergen, secretaris van stadhouder Willem Frederik, om een gunst vraagt voor haar minnaar, de Ostfriese Cartesiaan Johannes Wubbena.
![]() |
| Sophia van Vervou |
![]() |
| Wytze van Cammingha |
Labels:
1634,
Cammingha,
Coppit,
fries museum,
kunstschilders,
Rembrandt,
rijksmuseum,
schilderijen,
Soolmans,
Uylenburgh,
Vervou,
Wybrand de Geest
zondag 28 december 2014
Friese dame Baard in Indiaas museum
In het boek VOC in India van sneuper Bauke van der Pol staan diverse Friezen vermeld. De
Dokkumer gebroeders Canter Visscher, over wie hij apart Mallabaarse Brieven publiceerde, komen prominent in het boek voor. Het Rijksmuseum heeft vele afbeeldingen, afkomstig van Adrianus Canter Visscher.
In India is nog een enorm grafmonument bewaard van Tammerus Canter Visscher. Tammerus was ‘secunde’, de tweede man, van het VOC-gewest Bengalen.
Van der Pol noemt ook anderen.
Zo komen in Indiase musea werken voor van Friese kunstschilders, zoals (mogelijk) Wybrand de Geest. In het Baroda Museum Vadodara Gujarat zou een schilderij moeten hangen van een Friese dame uit circa 1630 die een familiewapen toont dat vermoedelijk tot de familie Baard behoort (en gezien de molensteenkraag misschien nog iets eerder te dateren is), zie p.89 van het boek.
Ook heeft ze naast zich op tafel een prachtige familiebijbel met weelderig zilverwerk.
Kijk voor het familiewapen de online database met Friese familiewapens van Hessel de Walle er maar op na: de halve Friese adelaar en drie sterren, gescheiden door een wassenaar (halve maan) komt voor op diverse voorwerpen van de familie Baard rond 1600, zoals grafstenen en lepels.
De Stichting Cultuur Inventarisatie heeft over de schilderijen in India een uitgebreid rapport opgesteld en scans met beschrijvingen gemaakt.
Maar welke dame uit de familie Baard is het precies? Of komt ze toch uit een andere Friese familie?
Dokkumer gebroeders Canter Visscher, over wie hij apart Mallabaarse Brieven publiceerde, komen prominent in het boek voor. Het Rijksmuseum heeft vele afbeeldingen, afkomstig van Adrianus Canter Visscher.
In India is nog een enorm grafmonument bewaard van Tammerus Canter Visscher. Tammerus was ‘secunde’, de tweede man, van het VOC-gewest Bengalen.
Van der Pol noemt ook anderen.
Zo komen in Indiase musea werken voor van Friese kunstschilders, zoals (mogelijk) Wybrand de Geest. In het Baroda Museum Vadodara Gujarat zou een schilderij moeten hangen van een Friese dame uit circa 1630 die een familiewapen toont dat vermoedelijk tot de familie Baard behoort (en gezien de molensteenkraag misschien nog iets eerder te dateren is), zie p.89 van het boek.
Ook heeft ze naast zich op tafel een prachtige familiebijbel met weelderig zilverwerk.
Kijk voor het familiewapen de online database met Friese familiewapens van Hessel de Walle er maar op na: de halve Friese adelaar en drie sterren, gescheiden door een wassenaar (halve maan) komt voor op diverse voorwerpen van de familie Baard rond 1600, zoals grafstenen en lepels.
De Stichting Cultuur Inventarisatie heeft over de schilderijen in India een uitgebreid rapport opgesteld en scans met beschrijvingen gemaakt.
Maar welke dame uit de familie Baard is het precies? Of komt ze toch uit een andere Friese familie?
maandag 15 december 2014
Vrije Fries 2014, nummer 94, met Wybrand de Geest, Abraham Ferwerda, Wopke Eekhoff en Heringastate
Van de redactie Vrije Fries:
De snelle veranderingen in het Friese landschap tijdens de laatste decennia blijven de gemoederen bezig houden. In De Vrije Fries van 2010 verwoordde Goffe Jensma zijn visie op dit thema. Zijn boodschap was dat de Friese gemeenschap een eigentijdse visie op het ‘Frysk eigene’ dient te ontwikkelen. Jensma’s beschouwing, getiteld ‘Plat land, diepe geschiedenis: Friesland als trauma’, was voor het Fries Genootschap aanleiding tot het organiseren van een symposium op 23 november 2012. De toen gestelde vraag was of Fryslân het jaar 2034 zal halen. Een van de sprekers, Geert Mak, verkondigde daarna zijn opvattingen ook elders. In het Friesch Dagblad van 30 april 2013 verscheen bijvoorbeeld zijn tekst van een eerder in Wommels gehouden toespraak, met de intrigerende kop: ‘Het Friese landschap interesseert ons geen bal’, gevolgd door de lead: ‘Fryslân bevindt zich in een identiteitscrisis. De bouwsels op het platteland zijn daar een voorbeeld van.’
Wat is nu de stand van zaken en hoe hoog is de nood? Ook al verandert het Friese landschap snel, toch ook weer niet zo vlug dat het geen geschikt onderwerp is voor voortgaand debat in een jaarboek. Voor deze aflevering van De Vrije Fries vonden wij Geert Mak bereid om opnieuw aan te geven hoe hij denkt over de landschappelijke transformatie van Fryslân.
Maks openingsessay wordt in het eerste deel van dit jaarboek gevolgd door een vijftal, chronologisch gerangschikte artikelen over uiteenlopende onderwerpen. In hun artikel ‘All Change’ onderzoeken Marcus Roxburgh, Hans Huisman en Bertil van Os de mogelijkheden van materiaalanalyse met een XRF-scanner om meer te weten te komen over de mogelijke organisatie van broche-productie in vroegmiddeleeuws Fryslân. Zij analyseren de koperlegering van 600 broches en bekijken de veranderingen in de samenstelling van het metaal door de tijd heen. Hiermee komen zij tot een idee over de productie-organisatie en toekomstige onderzoeksmogelijkheden.
Suzanne Rus geeft vervolgens betekenis aan het album amicorum van Wybrand de Geest, Fryslâns bekendste schilder uit de Gouden Eeuw. Vanaf 1611 liet De Geest dit vriendenboek negen jaar lang invullen met allerlei persoonlijke teksten, heraldiek en tekeningen. Dit vond plaats tijdens zijn reis naar Utrecht en Rome, voordat hij zich weer in Leeuwarden vestigde. Alleen al door de verscheidenheid aan bijdragen betreft het een uniek document.
De uitgever Abraham Ferwerda is vooral bekend als founding father van de Leeuwarder Courant in 1752. Matthijs Droog onderzocht echter de andere uitgaven in het fonds van deze Leeuwarder ‘pommerant’. Hij toont onder meer aan dat er heel wat meer publicaties van Ferwerda’s persen rolden dan de eerst wekelijkse en later tweewekelijkse edities van Fryslâns oudste krant.
Volgens hem had er dan ook allang in Leeuwarden een straat naar Ferwerda vernoemd moeten zijn.
Ben Broos brengt ons daarna via Wopke Eekhoff bij de beroemdste Nederlandse schilder uit de Gouden Eeuw, Rembrandt van Rijn, of beter gezegd bij diens echtgenote Saskia Uylenburgh. Zij was een achternicht van Hendrickje Uylenburgh, de vrouw van de al genoemde Wybrand de Geest. Een kleine wereld dus, waarvan men zou denken dat de genealogische verhoudingen bekend bleven in het publieke domein. Toch raakte Saskia als echtgenote van Rembrandt in de vergetelheid, totdat Eekhoff haar in de negentiende eeuw weer op de juiste plek zette. Hiertoe was hij in staat doordat hij een identificerende notitie aantrof in het album amicorum van de Friese jurist Rombertus Ockema.
Aan het eind van het eerste deel in dit jaarboek vraagt Gunar Boon zich af of de verbouwing van Heringastate in Marsum, beter bekend als het Poptaslot, in het begin van de twintigste eeuw een restauratie of reconstructie was. Vanwege verzakking van de state werd destijds de architect Johan F.L. Frowein, een leerling van Pierre Cuypers, aangetrokken. Froweins beslissingen en activiteiten moeten volgens Boon getypeerd worden als ‘historiserende reconstructie’.
De tweede helft van deze aflevering staat in het teken van de Beneficiaalboeken uit 1543. Van deze uitzonderlijke bron met allerhande gegevens over inkomsten uit geestelijk bezit verscheen vorig jaar een nieuwe, ook digitaal doorzoekbare editie, bezorgd door Peter van der Meer en Hans Mol. Deze uitgave werd op 18 oktober 2013 gepresenteerd tijdens een studiedag van de Fryske Akademy. Acht sprekers bogen zich toen over de vraag hoe deze bron in historisch en taalkundig onderzoek benut kan worden. Zij werkten hun voordrachten om in artikelen, die wij in samenwerking met de bezorgers van de broneditie redigeerden. Voor nadere introductie verwijzen we hier naar de inleiding van Mol en Van der Meer die vooraf gaat aan de acht artikelen. Een aankondiging van deze bijdragen over de Benificaalboeken stond al in het afgelopen septembernummer van Fryslân, het andere blad dat onder auspiciën van het Frysk Genoatskip verschijnt. Met de redactie van dit tijdschrift spraken wij de wens uit de banden aan te halen en in de toekomst meer gezamenlijk te opereren waar dit mogelijk is.
Als redactie namen wij in het voorjaar afscheid van Ernst Taayke. We bedanken hem hartelijk voor al zijn inbreng sinds zijn aantreden in 2009, in het bijzonder voor de archeologische kronieken die hij steeds energiek samenstelde. Hoewel afwezig in deze aflevering betekent zijn vertrek niet het einde van de archeologische kroniek in De Vrije Fries. Het gemis van Ernst Taayke werd dit jaar gecompenseerd door de komst van Marijn Molema in de redactie, eerder dit jaar benoemd als historicus voor de negentiende en twintigste eeuw aan de Fryske Akademy.
Inhoud
Van de redactie, 7
ESSAY
THEMA: STUDIES OVER DE BENEFICIAALBOEKEN VAN 1543
De snelle veranderingen in het Friese landschap tijdens de laatste decennia blijven de gemoederen bezig houden. In De Vrije Fries van 2010 verwoordde Goffe Jensma zijn visie op dit thema. Zijn boodschap was dat de Friese gemeenschap een eigentijdse visie op het ‘Frysk eigene’ dient te ontwikkelen. Jensma’s beschouwing, getiteld ‘Plat land, diepe geschiedenis: Friesland als trauma’, was voor het Fries Genootschap aanleiding tot het organiseren van een symposium op 23 november 2012. De toen gestelde vraag was of Fryslân het jaar 2034 zal halen. Een van de sprekers, Geert Mak, verkondigde daarna zijn opvattingen ook elders. In het Friesch Dagblad van 30 april 2013 verscheen bijvoorbeeld zijn tekst van een eerder in Wommels gehouden toespraak, met de intrigerende kop: ‘Het Friese landschap interesseert ons geen bal’, gevolgd door de lead: ‘Fryslân bevindt zich in een identiteitscrisis. De bouwsels op het platteland zijn daar een voorbeeld van.’
Wat is nu de stand van zaken en hoe hoog is de nood? Ook al verandert het Friese landschap snel, toch ook weer niet zo vlug dat het geen geschikt onderwerp is voor voortgaand debat in een jaarboek. Voor deze aflevering van De Vrije Fries vonden wij Geert Mak bereid om opnieuw aan te geven hoe hij denkt over de landschappelijke transformatie van Fryslân.
Maks openingsessay wordt in het eerste deel van dit jaarboek gevolgd door een vijftal, chronologisch gerangschikte artikelen over uiteenlopende onderwerpen. In hun artikel ‘All Change’ onderzoeken Marcus Roxburgh, Hans Huisman en Bertil van Os de mogelijkheden van materiaalanalyse met een XRF-scanner om meer te weten te komen over de mogelijke organisatie van broche-productie in vroegmiddeleeuws Fryslân. Zij analyseren de koperlegering van 600 broches en bekijken de veranderingen in de samenstelling van het metaal door de tijd heen. Hiermee komen zij tot een idee over de productie-organisatie en toekomstige onderzoeksmogelijkheden.
Suzanne Rus geeft vervolgens betekenis aan het album amicorum van Wybrand de Geest, Fryslâns bekendste schilder uit de Gouden Eeuw. Vanaf 1611 liet De Geest dit vriendenboek negen jaar lang invullen met allerlei persoonlijke teksten, heraldiek en tekeningen. Dit vond plaats tijdens zijn reis naar Utrecht en Rome, voordat hij zich weer in Leeuwarden vestigde. Alleen al door de verscheidenheid aan bijdragen betreft het een uniek document.
De uitgever Abraham Ferwerda is vooral bekend als founding father van de Leeuwarder Courant in 1752. Matthijs Droog onderzocht echter de andere uitgaven in het fonds van deze Leeuwarder ‘pommerant’. Hij toont onder meer aan dat er heel wat meer publicaties van Ferwerda’s persen rolden dan de eerst wekelijkse en later tweewekelijkse edities van Fryslâns oudste krant.
Volgens hem had er dan ook allang in Leeuwarden een straat naar Ferwerda vernoemd moeten zijn.
Ben Broos brengt ons daarna via Wopke Eekhoff bij de beroemdste Nederlandse schilder uit de Gouden Eeuw, Rembrandt van Rijn, of beter gezegd bij diens echtgenote Saskia Uylenburgh. Zij was een achternicht van Hendrickje Uylenburgh, de vrouw van de al genoemde Wybrand de Geest. Een kleine wereld dus, waarvan men zou denken dat de genealogische verhoudingen bekend bleven in het publieke domein. Toch raakte Saskia als echtgenote van Rembrandt in de vergetelheid, totdat Eekhoff haar in de negentiende eeuw weer op de juiste plek zette. Hiertoe was hij in staat doordat hij een identificerende notitie aantrof in het album amicorum van de Friese jurist Rombertus Ockema.
Aan het eind van het eerste deel in dit jaarboek vraagt Gunar Boon zich af of de verbouwing van Heringastate in Marsum, beter bekend als het Poptaslot, in het begin van de twintigste eeuw een restauratie of reconstructie was. Vanwege verzakking van de state werd destijds de architect Johan F.L. Frowein, een leerling van Pierre Cuypers, aangetrokken. Froweins beslissingen en activiteiten moeten volgens Boon getypeerd worden als ‘historiserende reconstructie’.
De tweede helft van deze aflevering staat in het teken van de Beneficiaalboeken uit 1543. Van deze uitzonderlijke bron met allerhande gegevens over inkomsten uit geestelijk bezit verscheen vorig jaar een nieuwe, ook digitaal doorzoekbare editie, bezorgd door Peter van der Meer en Hans Mol. Deze uitgave werd op 18 oktober 2013 gepresenteerd tijdens een studiedag van de Fryske Akademy. Acht sprekers bogen zich toen over de vraag hoe deze bron in historisch en taalkundig onderzoek benut kan worden. Zij werkten hun voordrachten om in artikelen, die wij in samenwerking met de bezorgers van de broneditie redigeerden. Voor nadere introductie verwijzen we hier naar de inleiding van Mol en Van der Meer die vooraf gaat aan de acht artikelen. Een aankondiging van deze bijdragen over de Benificaalboeken stond al in het afgelopen septembernummer van Fryslân, het andere blad dat onder auspiciën van het Frysk Genoatskip verschijnt. Met de redactie van dit tijdschrift spraken wij de wens uit de banden aan te halen en in de toekomst meer gezamenlijk te opereren waar dit mogelijk is.
Als redactie namen wij in het voorjaar afscheid van Ernst Taayke. We bedanken hem hartelijk voor al zijn inbreng sinds zijn aantreden in 2009, in het bijzonder voor de archeologische kronieken die hij steeds energiek samenstelde. Hoewel afwezig in deze aflevering betekent zijn vertrek niet het einde van de archeologische kroniek in De Vrije Fries. Het gemis van Ernst Taayke werd dit jaar gecompenseerd door de komst van Marijn Molema in de redactie, eerder dit jaar benoemd als historicus voor de negentiende en twintigste eeuw aan de Fryske Akademy.
Inhoud
Van de redactie, 7
ESSAY
- Geert Mak, Het Friese landschap: geen trauma maar een open wond, 9
- Marcus Roxburgh, Hans Huisman, Bertil van Os, All change: The end of a metalworking tradition in Dark Age Frisia, 19
- Suzanne Rus, Het album amicorum van Wybrand de Geest, Een uniek reisdocument, 31
- Matthijs Droog, Drukwerk voor iedereen. Het fonds van de Leeuwarder uitgever Abraham Ferwerda (1716-1783), 61
- Ben Broos, Wopke Eekhoff en ‘de ontdekking’ van Saskia Uylenburgh als de vrouw van Rembrandt, 85
- Gunar R. Boon, De verbouwing van Heringastate in Marsum, 1906-1912, Restauratie of reconstructie?, 107
THEMA: STUDIES OVER DE BENEFICIAALBOEKEN VAN 1543
- J.A. (Hans) Mol en Peter van der Meer, Inleiding, 129
- Paul Noomen, Enkele lijnen in de ontwikkeling van het parochiewezen in Oostergo, 133
- Jan Kuys, Vrijgesteld maar vaak ook niet, Belasting op kerkelijke inkomens in het laatmiddeleeuwse bisdom Utrecht, 147
- J.A. (Hans) Mol, Het inkomen van zielzorgers in Friesland, 1511-1543 . 165
- Otto Roemeling, De geestelijken van 1543: cijfers over studie en afkomst . 175
- Henk Bloemhoff, Nedersaksische elementen in de Stellingwerver Beneficiaalboekteksten 183
- Karel. F. Gildemacher, Het Friese landschap volgens de toponiemen in de Beneficiaalboeken 201
- Philippus H. Breuker, De hemrik lokalisatie, datering en betekenisontwikkeling 229
- Merijn Knibbe, De kerk, de staat en het vredesdividend, De pachtopbrengsten van kerkelijke goederen in Friesland, 1511-1543, 251
- Dennis Worst, Hooi halen stroomafwaarts. Het belang van hooiwinning voor de veenboeren in Zuidoost-Friesland, 279
- Geraadpleegd materiaal bij de thematische bijdragen, 299
- Jaarverslag Koninklijk Fries Genootschap over 2013, 313
- Over de auteurs, 317
Abonneren op:
Posts (Atom)







