Via Antonia Veldhuis werd ik getipt over een webpagina bij het Historisch Centrum Leeuwarden met daarop een Chronologische lijst van de merkwaardigste meest crimineele sententiën van het Hof van Friesland te Leeuwarden, ter Canselarij uitgesproken van 1516-1800.
Van de periode 1700-1811 hadden wel al diverse indexen van Tresoar en R.S. Roarda, maar bovengenoemde kende ik nog niet. Wel had ik ook indexen terug tot 1600 online gezet.
Het leuke is vooral dat er een kleine samenvatting gegeven wordt van de veroordelingen. En die logen er in vroegere tijden niet om. Sterker nog: ze waren veelal zeer wreed. Echt volgens het principe Oog om oog, tand om tand.
Vooral tussen 1516 en 1700 werd je voor relatief lichte overtredingen al met het zwaard bewerkt en veelal onthoofd in Friesland! De beul moet het er maar wat druk mee gehad hebben.
1574, d. 23 Oct zijn Tjerk Teykes en Frederik Tjeerds wegens dieverije by nagt gepleegd ten huize van Poppe van Bourmania onthooft.
Ook werd men te pas en te onpas uit Friesland verbannen, zoals bijvoorbeeld dit geval:
1652, D 1 Juny is Griet Jans van Dokkum wegens toverye en waarseggen gegeesselt en voor 10 jaaren gebannen.
Of deze: 1789, d. 18 juny is Sjoerd Jacobs Mook van Dokkum wegens het steelen van
een stuk kant voor agt dagen te water en brood gezet, en voorts voor een
jaar buiten het quartier van Oostergo gebannen.
Trijntje Hendriks is een soort draaideurcrimineel. Steeds weer begeeft zij zich op het slechte pad. Ze was getrouwd met een man uit het Waalse Luik, Leenerdt Leenardts en werkte enige tijd in het vlas.
Lees het uitgebreide vonnis over haar: 1668, 9mei. Sententie voor Tryn Hendriks wegens mishandeling Christiaan Wolters aangedaan.
Vrouwen die een pasgeboren kind afstootten werden vaak eerst te pronk gesteld met een pop en vervolgens vaak alsnog onthoofd of verdronken. Soms ook nog onder de galg begraven!
1541, d. 16 february is Thiet Remmolts dogter van Nykerk in Oostdongardeel,
wegens het weder leggen van een naakt kind dat naderhand dood gevonden
is by de galge verworcht en aan een rad gehangen.
1631, d. 1 October zyn Merk Sybrants en haar dogter Griet Sybrants wegens
het ombrengen van een kind, waarvan de dogter in stilte bevallen was,
beide by de galge en het water verdronken en versmoort.
1659, d. 15 octob is Auck Jouckes van Lippenhuisen wegens het moordadig
ombrengen van haar eerstgeboren kind in een sak by de galge vermoord,
voorts ’t lighaam in de sak op een rad gestelt hebbende in de eene hand
een gemaakte doorgesneden pop, en in de andere een mes.
Voor de reformatie in 1580 stonden er zware straffen op 'blasfemie'. Zoals in 1525 voor Willem Taekes uit Anjum of in 1539, d 20 Mei is Gerrit Luitjes wegens blasphemie een uur lang te pronk
gestelt voorts een yser door syn tong gestroken en daar mede een goede
wijle tijds laten staan.
Ofke Haayes die in het Kollumer Oproer van 1634 een rol speelde werd onthoofd in 1636.
Jacob Sybes uit Ternaard voor het Reboelje yn de Dongeradielen ook onthoofd in 1750.
Brandstichters werden zelf verbrand: 1673, d. 15 maart is Zacheus Abbema van Collum wegens brandstigtinge te
Collum gepleegd, toen de meeste ingezetenen uit vrees voor de
munsterschen van daar gevlugt waren, op de Geregtsplaats buiten de stad
geworgd voorts met den vuure gesengd en het lighaam in de volgende nagt
begraaven.
Mensen uit Kollum (Collum), Wierum, Akkerwoude, Rinsumageest en Dokkum worden genoemd. Leest u het maar eens op uw gemak door die Chronologische
lijst van de merkwaardigste meest crimineele sententiën van het Hof van
Friesland te Leeuwarden, ter Canselarij uitgesproken van 1516-1800.
Posts tonen met het label rinsumageest. Alle posts tonen
Posts tonen met het label rinsumageest. Alle posts tonen
woensdag 23 december 2015
dinsdag 15 juli 2014
De boeiende muntgeschiedenis van Dokkum en Klaarkamp
Museumdirecteur Ihno Dragt, van Museum Admiraliteitshuis in Dokkum en It Fiskershuske in Moddergat attendeerde mij op een nieuwe studie over de muntschat van Klaarkamp.
In 1932 werd in de kloosterterp bij Rinsumageest door de omwonenden een schat gevonden bestaande uit gouden en zilveren munten. Het waren munten van rond het jaar 1350 die in de periode 1360/65 begraven moeten zijn. In die eerste periode had de regio te lijden van een grote pestepidemie maar later ook van rondtrekkende roversbendes.
De zilveren munten zijn na de oorlog weer boven water gekomen.
U kunt ze bekijken in het museum Het Admiraliteitshuis. De gouden munten zijn vermoedelijk door de Duitse bezettingsmacht geroofd en nooit weer boven water gekomen.
Dit jaar zijn alle munten uitvoerig door professionals bekeken en in zijn geheel beschreven. Twee wetenschappers, Paul Torongo & Raymond van Oosterhout (bestuurslid van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Munt- en Penningkunde, beschrijven de munten in hun Engelstalige 'paper' The Coins of the Dokkum (Klaarkamp) Hoard (1932).
De vondst van 344 munten uit de 14e eeuw bestaat merendeels uit Vlaamse leeuwengroten en Hollandse en Brabantse munten. Alle munten dragen de tekst: BeNeDICTVs SIT NOMEn DomiNI NostRI IHsV CHRIsti. Dit betekent: Gezegend zij de naam van onze Heer Jezus Christus.
Een van de bronnen voor deze publicatie was een Nieuwsbrief van Numismatische Kring Frisia 2, 2013:
Het Klooster Klaarkamp en zijn muntschat, door Gerrit Pasma.
De bekende Friese muntenkenner Ben te Boekhorst is de auteur van een ander, geheel online gezet, verhaal van de Numismatische Kring Frisia: De Middeleeuwse muntgeschiedenis van Dokkum. Zowel penningen als de aloude Brunonen, munten uit de 11e eeuw in de Dokkumer muntslag, worden hierin beschreven.
Het grootste deel van dit verhaal staat ook in het bij het Admiraliteitshuis verkrijgbare Dokkum op de penning. Daarnaast schreef hij Schatgraven in de kerk van Ee.
In 1932 werd in de kloosterterp bij Rinsumageest door de omwonenden een schat gevonden bestaande uit gouden en zilveren munten. Het waren munten van rond het jaar 1350 die in de periode 1360/65 begraven moeten zijn. In die eerste periode had de regio te lijden van een grote pestepidemie maar later ook van rondtrekkende roversbendes.
De zilveren munten zijn na de oorlog weer boven water gekomen.
U kunt ze bekijken in het museum Het Admiraliteitshuis. De gouden munten zijn vermoedelijk door de Duitse bezettingsmacht geroofd en nooit weer boven water gekomen.
Dit jaar zijn alle munten uitvoerig door professionals bekeken en in zijn geheel beschreven. Twee wetenschappers, Paul Torongo & Raymond van Oosterhout (bestuurslid van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Munt- en Penningkunde, beschrijven de munten in hun Engelstalige 'paper' The Coins of the Dokkum (Klaarkamp) Hoard (1932).
De vondst van 344 munten uit de 14e eeuw bestaat merendeels uit Vlaamse leeuwengroten en Hollandse en Brabantse munten. Alle munten dragen de tekst: BeNeDICTVs SIT NOMEn DomiNI NostRI IHsV CHRIsti. Dit betekent: Gezegend zij de naam van onze Heer Jezus Christus.
Een van de bronnen voor deze publicatie was een Nieuwsbrief van Numismatische Kring Frisia 2, 2013:
Het Klooster Klaarkamp en zijn muntschat, door Gerrit Pasma.
De bekende Friese muntenkenner Ben te Boekhorst is de auteur van een ander, geheel online gezet, verhaal van de Numismatische Kring Frisia: De Middeleeuwse muntgeschiedenis van Dokkum. Zowel penningen als de aloude Brunonen, munten uit de 11e eeuw in de Dokkumer muntslag, worden hierin beschreven.
Het grootste deel van dit verhaal staat ook in het bij het Admiraliteitshuis verkrijgbare Dokkum op de penning. Daarnaast schreef hij Schatgraven in de kerk van Ee.
Labels:
admiraliteitshuis,
dokkum,
dragt,
klaarkamp,
munten,
muntschat,
museum,
numismatiek,
penningen,
penningkunde,
rinsumageest,
Torongo,
Van Oosterhout,
verzamelen
zondag 13 april 2014
Klooster Klaarkamp, middeleeuws klooster in Noordoost Friesland
Door Arjen Dijkstra, Nes.
Deze week stond voor een belangrijk deel in het teken van kloosters. Was er op zaterdag 12 april de lezing van Hilda Bouta over Teth Bolta uit het klooster Sion te Niawier, op de vrijdag ervoor was er al een voorproefje. De Stichting Klooster Claercamp en de provincie Fryslân nodigde ons uit om aanwezig te zijn bij de presentatie van het 10e themaboek in de reeks Archeologie in Fryslân in het archeologisch steunpunt op de locatie van het voormalige klooster Klaarkamp bij Rinsumageest.
De middag werd geopend door Jannewietske De Vries, gedeputeerde Cultuur en Erfgoed van de provincie Fryslân. Zij deed een korte inleiding, waarbij ze refereerde de rol van de Staten van Friesland in 1580. Door het confisqueren van kloostergoederen werd een einde gemaakt aan de hoge kloosterdichtheid in Friesland. De taken van de Provinciale Staten van het hedendaagse Fryslân zijn van een heel andere orde, zo constateerde zij.
Overigens speelde de abt van Klooster Klaarkamp op dat moment wel een rol in bestuurlijk Friesland. Aan Ton Stierhout van de Stichting Klooster Claercamp werd een vlag overhandigd, die alleen gebruikt mag worden door archeologische steunpunten. Het Kloostermuseum is daarmee het 11e archeologische steunpunt in Fryslân.
Daarna ontving abt Alberic Bruschke van de Cisterciënzer Abdij Sion te Diepenveen het eerste exemplaar uit handen van Jannewietske de Vries. De abt vertelde dat hij het bijzonder vond om hier te zijn. Claercamp was uiteraard een klooster van zijn Cisterciënzer Orde, maar is ook naamgever van Schiermonnikoog en moederklooster van vrouwenklooster Sion te Niawier. De abdij van Sion gaat zich vestigen op Schiermonnikoog. Daarmee is de cirkel rond.
Erwin Boers, auteur van het boek, leidde zijn boek in. Toen hij werd gevraagd om dit boek te schrijven, werd hij er door verrast dat er nog niemand een boek over het befaamde Claercamp had geschreven. Toen hij na zijn speurtocht de puzzelstukjes in elkaar wilde schuiven, kreeg hij een idee waarom. Er is veel tegenstrijdige informatie bekend over het klooster. Was het nu wel of niet het eerste bakstenengebouw van Nederland? Het Klooster is gesticht in 1165 als abt Eyso met 12 monniken zich hier vestigt. In de bloeiperiode woonden en werkten er meer dan 700 monniken en lekenbroeders in het machtige klooster. Het was eigenlijk een ‘multinational’ met diverse dochterkloosters in Niawier, Bolsward, Aduard en Gerkesklooster. In 1580 werden de kloostergoederen overgenomen door de provincie.
Het boek Klaarkamp, Middeleeuws klooster bij Rinsumageest, schiere monniken in noordelijk Fryslân, is verkrijgbaar in de boekhandel voor slechts € 15,90.
Het Kloostermuseum is geopend van april t/m oktober, op zaterdag en zondag van 13-17 uur. Van november t/m maart alleen op zondag. Andere dagen alleen op afspraak. Ook groepen zijn welkom.
Deze week stond voor een belangrijk deel in het teken van kloosters. Was er op zaterdag 12 april de lezing van Hilda Bouta over Teth Bolta uit het klooster Sion te Niawier, op de vrijdag ervoor was er al een voorproefje. De Stichting Klooster Claercamp en de provincie Fryslân nodigde ons uit om aanwezig te zijn bij de presentatie van het 10e themaboek in de reeks Archeologie in Fryslân in het archeologisch steunpunt op de locatie van het voormalige klooster Klaarkamp bij Rinsumageest.
De middag werd geopend door Jannewietske De Vries, gedeputeerde Cultuur en Erfgoed van de provincie Fryslân. Zij deed een korte inleiding, waarbij ze refereerde de rol van de Staten van Friesland in 1580. Door het confisqueren van kloostergoederen werd een einde gemaakt aan de hoge kloosterdichtheid in Friesland. De taken van de Provinciale Staten van het hedendaagse Fryslân zijn van een heel andere orde, zo constateerde zij.
Overigens speelde de abt van Klooster Klaarkamp op dat moment wel een rol in bestuurlijk Friesland. Aan Ton Stierhout van de Stichting Klooster Claercamp werd een vlag overhandigd, die alleen gebruikt mag worden door archeologische steunpunten. Het Kloostermuseum is daarmee het 11e archeologische steunpunt in Fryslân.
Daarna ontving abt Alberic Bruschke van de Cisterciënzer Abdij Sion te Diepenveen het eerste exemplaar uit handen van Jannewietske de Vries. De abt vertelde dat hij het bijzonder vond om hier te zijn. Claercamp was uiteraard een klooster van zijn Cisterciënzer Orde, maar is ook naamgever van Schiermonnikoog en moederklooster van vrouwenklooster Sion te Niawier. De abdij van Sion gaat zich vestigen op Schiermonnikoog. Daarmee is de cirkel rond.
Erwin Boers, auteur van het boek, leidde zijn boek in. Toen hij werd gevraagd om dit boek te schrijven, werd hij er door verrast dat er nog niemand een boek over het befaamde Claercamp had geschreven. Toen hij na zijn speurtocht de puzzelstukjes in elkaar wilde schuiven, kreeg hij een idee waarom. Er is veel tegenstrijdige informatie bekend over het klooster. Was het nu wel of niet het eerste bakstenengebouw van Nederland? Het Klooster is gesticht in 1165 als abt Eyso met 12 monniken zich hier vestigt. In de bloeiperiode woonden en werkten er meer dan 700 monniken en lekenbroeders in het machtige klooster. Het was eigenlijk een ‘multinational’ met diverse dochterkloosters in Niawier, Bolsward, Aduard en Gerkesklooster. In 1580 werden de kloostergoederen overgenomen door de provincie.
Het boek Klaarkamp, Middeleeuws klooster bij Rinsumageest, schiere monniken in noordelijk Fryslân, is verkrijgbaar in de boekhandel voor slechts € 15,90.
Het Kloostermuseum is geopend van april t/m oktober, op zaterdag en zondag van 13-17 uur. Van november t/m maart alleen op zondag. Andere dagen alleen op afspraak. Ook groepen zijn welkom.
zondag 10 november 2013
Archief Rooms-Katholiek Friesland met vele linnenweversfamilies
In Noordoost-Friesland vestigden zich in de voorbije eeuwen (met name tussen 1760 en 1850) vele katholieke linnenwevers die van oorsprong uit Westfalen in Duitsland kwamen. Familienamen als Bary, Beckers, Demes, Holtewes, Rouing en Woltring herinneren daar aan.
Ons themanummer De Sneuper 90 was geheel gewijd aan de vlasteelt en linnenweverij in Noordoost-Friesland.
Ook hielden we een ledendag in Ee, waar vlasmuseum It Braakhok gevestigd is, waar we diverse filmopnamen maakten.
De linnenwevers maakten van het ruim aanwezig gewas vlas met hun weefgetouwen linnen textiel.
De verbouw van vlas is eeuwenlang een waardevol gewas geweest voor de akkerbouwer en de gardenier in de gemeenten aan de Waddenkust van Friesland. Voor de grotere akkerbouwers was, sinds de tweede helft van de negentiende eeuw, de aardappelteelt veelal de belangrijkste bron van inkomen met later, in de twintigste eeuw, daarbij de teelt van suikerbieten. Deze beide gewassen vroegen indertijd behoorlijk veel handarbeid zodat er vanaf het zaaien en poten tot en met de oogst in verhouding veel arbeiders nodig waren, dit in tegenstelling tot het veehouderijbedrijf waar alleen in de zomermaanden veel extra arbeid nodig was voor de hooioogst.
De akkerbouwer had in de winterperiode geen werk voor zijn arbeiders, dit eveneens in tegenstelling tot het veehouderijbedrijf waar er elke dag gevoerd en gemolken moest worden. Het bewerken van vlas gedurende de winterperiode was één van de mogelijkheden om zowel de arbeider met een vast werkband als die met een los werkverband, toch nog lonend werk te laten verrichten. Daarmee was dat één van de belangrijkste redenen dat er in het noorden van Friesland vlas werd verbouwd, met name in de gemeenten grenzend aan de Waddenzee: Wonseradeel, Barradeel, het Bildt, Menaldumadeel, Ferwerderadeel, West- en Oostdongeradeel en Kollumerland c.a.
De stichting Archief- en Documentatiecentrum voor R.K. Friesland heeft via haar website ruim 40.000 scans van o.a. bidprentjes, rouwbrieven en overlijdensadvertenties beschikbaar gesteld.
Via het zoekscherm zult u vele van de RK linnenweversfamilies vinden die in Noordoost-Friesland hun sporen hebben nagelaten.
Ons themanummer De Sneuper 90 was geheel gewijd aan de vlasteelt en linnenweverij in Noordoost-Friesland.
Ook hielden we een ledendag in Ee, waar vlasmuseum It Braakhok gevestigd is, waar we diverse filmopnamen maakten.
De linnenwevers maakten van het ruim aanwezig gewas vlas met hun weefgetouwen linnen textiel.
De verbouw van vlas is eeuwenlang een waardevol gewas geweest voor de akkerbouwer en de gardenier in de gemeenten aan de Waddenkust van Friesland. Voor de grotere akkerbouwers was, sinds de tweede helft van de negentiende eeuw, de aardappelteelt veelal de belangrijkste bron van inkomen met later, in de twintigste eeuw, daarbij de teelt van suikerbieten. Deze beide gewassen vroegen indertijd behoorlijk veel handarbeid zodat er vanaf het zaaien en poten tot en met de oogst in verhouding veel arbeiders nodig waren, dit in tegenstelling tot het veehouderijbedrijf waar alleen in de zomermaanden veel extra arbeid nodig was voor de hooioogst.
De akkerbouwer had in de winterperiode geen werk voor zijn arbeiders, dit eveneens in tegenstelling tot het veehouderijbedrijf waar er elke dag gevoerd en gemolken moest worden. Het bewerken van vlas gedurende de winterperiode was één van de mogelijkheden om zowel de arbeider met een vast werkband als die met een los werkverband, toch nog lonend werk te laten verrichten. Daarmee was dat één van de belangrijkste redenen dat er in het noorden van Friesland vlas werd verbouwd, met name in de gemeenten grenzend aan de Waddenzee: Wonseradeel, Barradeel, het Bildt, Menaldumadeel, Ferwerderadeel, West- en Oostdongeradeel en Kollumerland c.a.
De stichting Archief- en Documentatiecentrum voor R.K. Friesland heeft via haar website ruim 40.000 scans van o.a. bidprentjes, rouwbrieven en overlijdensadvertenties beschikbaar gesteld.
Via het zoekscherm zult u vele van de RK linnenweversfamilies vinden die in Noordoost-Friesland hun sporen hebben nagelaten.
woensdag 2 januari 2013
Rapport archeologisch onderzoek Klooster Klaarkamp
De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) heeft een aantal interessante publicaties online staan. Een daarvan is een rapport over archeologisch onderzoek bij het voormalige klooster Klaarkamp te Rinsumageest. De wat lange en archaïsche titel is 'Tmeeste ende tgrootste van alle cloisteren, wel begraven mit wyden graften’. Zo wordt het Cistercienzer klooster Klaarcamp in een uit 1468 daterend spionagerapport aan Karel de Stoute omschreven. Deze beschrijving weerspiegelt de indruk die het kloostercomplex op bezoekers van dit deel van Friesland in de Middeleeuwen moet hebben gemaakt.
Het uit baksteen opgetrokken kloostercomplex torende op een 3-4 m hoge terp ruim boven de omgeving uit en was in de late 12e eeuw een van de eerste bouwwerken uitgevoerd in dit bouwmateriaal. Het complex werd omgeven door een dubbele omgrachting met wallen. Poorten markeerden de toegangen tot het complex.
In de loop van de Middeleeuwen wist het klooster een grondbezit van meer dan 4.000 ha op te bouwen. Landerijen en boerderijen lagen verspreid over heel Noordelijk Oostergo, van Leeuwarden tot aan Schiermonnikoog.
Gedurende de Tachtigjarige Oorlog, rond 1580, kwam een einde aan het kloostercomplex. Op last van de Staten van Friesland werd het complex ontmanteld, waarbij de opstallen werden gesloopt, de wallen geslecht en de grachten gedempt.
Een van de redenen voor sloop was dat men vreesde dat het complex door Spaanse troepen zou worden gebruikt als vesting. Hier wraakte zich het weerbare karakter van het voormalige kloostercomplex. Vanaf 1858 viel de terp waarop het klooster lag ten prooi aan terpafgavingen. Tot 1942 werden vele tonnen vruchtbare terpaarde afgegraven en afgevoerd. Tijdens de afgravingen konden in de periode 1939-1941 door Albert Egges van Giffen opgravingen worden gedaan.
Met het opruimen van de resten van het klooster verdween evenwel niet de belangstelling voor het complex. Klaarkamp staat nog steeds in de belangstelling van velen. Dit geldt niet alleen voor (bouw)historici en archeologen, maar vooral voor inwoners van de gemeente Dantumadeel.
Dit heeft onder andere geleid tot de oprichting van de Stichting Klooster Claerkamp. Deze stichting beijvert zich al jaren om het kloosterverleden zicht- en beleefbaar te maken.
In 2008 is het zuidelijke deel van het kloostercomplex aangewezen als archeologisch rijksmonument.
De resultaten van de opgravingen van Van Giffen, gecombineerd met het feit dat complex een belangrijk ‘lieu de memoire’ is, vormden de basis hiervoor. In september 2010 is een waarderend onderzoek uitgevoerd op het noordelijke terreindeel en zijn enkele sleuven gegraven op het zuidelijke deel. Het archeologische onderzoek komt deels voort uit vragen vanuit de gemeente Dantumadeel en de provincie Fryslân ten aanzien van randvoorwaarden voor eventuele toekomstige inrichtingsmaatregelen, en anderzijds uit de vraag naar de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van het noordelijke terreindeel in verband met een mogelijk uitbreiding van het beschermde areaal. Het onderzoek heeft uitgewezen dat zich in het noordelijke terreindeel verschillende grondsporen bevinden, waaronder greppels/sloten, grachten, kuilen en funderingsresten, daterend uit de kloosterperiode en de periode daarna. Deze sporen hangen waarschijnlijk samen met bebouwing op en het gebruik van dit terreindeel. De sporenconcentratie wordt begrensd door een 17 m brede gracht. Lees het gehele rapport als pdf via de site van RCE.
Het uit baksteen opgetrokken kloostercomplex torende op een 3-4 m hoge terp ruim boven de omgeving uit en was in de late 12e eeuw een van de eerste bouwwerken uitgevoerd in dit bouwmateriaal. Het complex werd omgeven door een dubbele omgrachting met wallen. Poorten markeerden de toegangen tot het complex.
In de loop van de Middeleeuwen wist het klooster een grondbezit van meer dan 4.000 ha op te bouwen. Landerijen en boerderijen lagen verspreid over heel Noordelijk Oostergo, van Leeuwarden tot aan Schiermonnikoog.
Gedurende de Tachtigjarige Oorlog, rond 1580, kwam een einde aan het kloostercomplex. Op last van de Staten van Friesland werd het complex ontmanteld, waarbij de opstallen werden gesloopt, de wallen geslecht en de grachten gedempt.
Een van de redenen voor sloop was dat men vreesde dat het complex door Spaanse troepen zou worden gebruikt als vesting. Hier wraakte zich het weerbare karakter van het voormalige kloostercomplex. Vanaf 1858 viel de terp waarop het klooster lag ten prooi aan terpafgavingen. Tot 1942 werden vele tonnen vruchtbare terpaarde afgegraven en afgevoerd. Tijdens de afgravingen konden in de periode 1939-1941 door Albert Egges van Giffen opgravingen worden gedaan.
Met het opruimen van de resten van het klooster verdween evenwel niet de belangstelling voor het complex. Klaarkamp staat nog steeds in de belangstelling van velen. Dit geldt niet alleen voor (bouw)historici en archeologen, maar vooral voor inwoners van de gemeente Dantumadeel.
Dit heeft onder andere geleid tot de oprichting van de Stichting Klooster Claerkamp. Deze stichting beijvert zich al jaren om het kloosterverleden zicht- en beleefbaar te maken.
In 2008 is het zuidelijke deel van het kloostercomplex aangewezen als archeologisch rijksmonument.
De resultaten van de opgravingen van Van Giffen, gecombineerd met het feit dat complex een belangrijk ‘lieu de memoire’ is, vormden de basis hiervoor. In september 2010 is een waarderend onderzoek uitgevoerd op het noordelijke terreindeel en zijn enkele sleuven gegraven op het zuidelijke deel. Het archeologische onderzoek komt deels voort uit vragen vanuit de gemeente Dantumadeel en de provincie Fryslân ten aanzien van randvoorwaarden voor eventuele toekomstige inrichtingsmaatregelen, en anderzijds uit de vraag naar de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van het noordelijke terreindeel in verband met een mogelijk uitbreiding van het beschermde areaal. Het onderzoek heeft uitgewezen dat zich in het noordelijke terreindeel verschillende grondsporen bevinden, waaronder greppels/sloten, grachten, kuilen en funderingsresten, daterend uit de kloosterperiode en de periode daarna. Deze sporen hangen waarschijnlijk samen met bebouwing op en het gebruik van dit terreindeel. De sporenconcentratie wordt begrensd door een 17 m brede gracht. Lees het gehele rapport als pdf via de site van RCE.
Abonneren op:
Posts (Atom)




