vrijdag 30 januari 2015

Dokkumers in Helsingør, circa 1550-1600

Uitgeverij Verloren publiceert een aantal interessante kleine boekjes in de Zeven Provinciënreeks met hele specifieke onderwerpen zoals Loterijen in de Nederlanden tot 1726, De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw en ‘Al het Hollandse volk dat hier nu woont’, Nederlanders in Helsingør, circa 1550-1600.
Het eerste boekje heb ik in mijn bezit en geeft prachtig weer hoe loterijen al in het verleden in de Nederlanden werden ingezet om geld te werven voor goede doelen. Op een centraal plein in de stad vond dagenlang de loting in het openbaar plaats, onder grote belangstelling.

Het tweede boekje heb ik ook en geeft o.a. aan hoe schilders als Jan Miense Molenaer met de handel omgingen.
Het derde boekje heb ik (nog) niet gekocht maar wel doorgebladerd. Mijn oog viel daarbij op twee Dokkumers die vermeld worden in de Deense plaats bij de Sonttol die in vroeger tijden Elseneur genoemd werd.
Het blijkt dat de Nederlanders, zowel diegenen die hier tijdelijk verbleven als zij die hier vast woonden, zeer vaak met elkaar op de vuist gingen, en dat dergelijke vechtpartijen vaak in doodslag eindigden. In 1550 gaat Frerick Tønnesen akkoord met de verplichting dat de Deense koning en, namens hem, diens ambtenaren van zijn diensten gebruik kunnen maken- te land en te water, binnen of buiten Denemarken, en zonder betaling- om op die manier genade te krijgen omdat hij 'vorige zomer hier in Helsingør per ongeluk stuurman Gipken Vybrandzssen (Tjipke Wybrands ?, HZ) uit Dockum in West Friesland heeft vermoord (noot 114).

Jacob Willumsen, 1572-1573, A. 1574: Rode van Jacob Willumsen. In 1569 krijgt Jacob Willumsen, die in Dokkum woonachtig was, toestemming om zich hier te vestigen. Hij heeft de helft van zijn schip aan burgemeester Henrik Mogensen en Jorgen Maer verkocht, en de goederen die zich daarin bevinden zijn zowel van hun beiden als van hem (TBVI, 213b). (Hij zat dus in een partenrederij, HZ). In 1570 heeft hij juridische problemen met zijn reders H. Mogensen en J. Maer (TBVI, 271b-272a).

Historicus Henk Looijesteijn schreef een recensie over dit aardige boekje.


Geen opmerkingen: