vrijdag 28 februari 2014

Johannes Veltdriel, burgemeester van Dokkum in 1630 voor Staten Generaal naar Rusland

In het Nationaal Archief te Den Haag bevindt zich in de Inventaris van het archief van de Staten-Generaal een Verbaal van de gezanten Albert Coenraetsz. Burch en Johan van Veltdriel wegens hun zending naar Rusland in verband met onderhandelingen over uitvoer van salpeter en over vrije korenhandel. Het is gedateerd 10 januari 1632 maar de werkelijke 'Ambassade' vond plaats in 1630. Mogelijk zelfs als boek uitgegeven.
Op 4 nov 1631 bezocht een Russisch gezantschap de Staten Generaal
In 1630 toog een gezantschap namens de Staten Generaal (Veltdriel was daarin de vertegenwoordiger van Friesland) naar Archangelsk voor salpeter (een grondstof voor buskruit) en graan vanwege door de Dertigjarige Oorlog onstane tekorten en stijgende graanprijzen. De handel stagneerde. Het was dan ook de bedoeling om een monopolie voor Amsterdam te bepleiten en een goede ligplaats voor de schepen uit de Republiek op de Noordelijke Dwina aan de Witte Zee bij Archangelsk. Er waren begin 17e eeuw al diverse Hollanders en Friezen actief in de handel met Rusland, waaronder Andries Winius en Isaac Massa, hoewel het merendeel van de 'Hollanders' bestond uit gevluchte Antwerpenaren en Duitsers die zich in de Republiek gevestigd hadden. De meeste handel vond plaats over zee via de Sont en Oostzee (de Moedernegotie).
Een prachtige bron hiervoor zijn de online Notariele akten over de Archangelvaart 1594-1724 en uiteraard de Sonttolregisters. Archangelsk werd in 1584 gesticht bij het klooster van de Aartsengel Michael.
De plaats Sint Petersburg bestond nog niet. Deze gewenste haven aan de Oostzee via de Narva werd pas vanaf 1703 met behulp van Friezen en Hollanders door tsaar Peter de Grote opgebouwd.
Aan de Ambassade naar Rusland rond 1630 deed als predikant ook Ovittius Abbema uit Oldeboorn mee. Die kennen we nog van het prachtige boek van kerkhistoricus Paul Abels: Ovittius Metamorphosen. Voluit heette de dominee Pibo Ovittius van Abbema.

Van der Aa meldt over Veltdriel:
VELTDRIEL (Johan), een man van groote bekwaamheid en bedrijf, in 1629 wegens Friesland ter vergadering der Staten-Generaal afgezonden. Namens deze vergadering trok hij, benevens graaf Ernst Casimir, H. van Essen, J. van Gogh, G.v.d. Kamer en R. Huyghens, ten tijde van den inval van het keizerlijk-Spaansch leger in de Veluwe, naar Arnhem, en later werd hij naar Wesel gezonden, om aldaar op alles orde te stellen.
In 1630 werd hij met Albert Coenraadszoon Burgh tot ambassadeur naar Moscoviën benoemd. Hij keerde vroeger dan zijn ambtgenoot naar het vaderland terug. In 1634 werd hij door Friesland gelast om zitting te nemen in de admiraliteit van Zeeland. Onvriendelijk door De Knuyt afgewezen, bleef hij sedert de plaats in de Vergadering der Staten-Generaal, als buitengewoon lid, behouden.

In het archief van Ernst Casimir, in het Koninklijk Huisarchief, vinden we  correspondentie met Van Veltdriel in 1630 en 1631.

Stadgenoot uit Dokkum, Lieuwe van Aitzema beschrijft Veltdriel in zijn Saken van staet en oorlogh, Deel I, bl. 1041.
De familie Van Veltdriel heeft als familiewapen een vos met drie palen.

Er moeten ook nog brieven bewaard zijn gebleven van een latere periode, gezien deze vermelding:  7-06 Stadhouderlijk archief: De archieven in het Koninklijk Huisarchief: Willem Frederik. Inventaris III. Stukken betreffende het openbare leven. B. Aangelegenheden met zowel bestuurlijke als militaire aspecten 4. Personen 424     Briefwisseling met Johan Veltdriel, gedeputeerde ter Staten-Generaal namens Friesland. Datering: 1641-1645 en z.j., met bijlagen 1643 en z.j. (1642)
NB: Minuutbrieven ook aan Herema, 1641, aan Donia, 1641, 1643 en aan gedeputeerden ter Staten- Generaal namens Friesland, 1641. Omvang:1 pak. Vindplaats: Tresoar (Frysk Histoarysk en Letterkundich Sintrum)

Uiteindelijk zou de Ambassade naar Rusland in 1630 een merendeels mislukte missie blijken. De beoogde doelen bleken niet te realiseren. Alleen het voorstel voor een permanente vertegenwoordiging werd door de tsaar positief ontvangen.
Zoals op de afbeelding hierboven te zien kwam in november 1631 alweer een Russische delegatie op bezoek bij de Staten Generaal (bron: Rijksmuseum).

Het zou in ieder geval interessant zijn om deze illustere Dokkumer Johannes Veltdriel eens verder te onderzoeken en over hem een mooi artikel in ons verenigingsblad De Sneuper te publiceren.

Leest u ook het boek Handel tussen Rusland en de Nederlanden, 1560-1640, met op pagina 349 oa Veltdriel.

woensdag 26 februari 2014

Gens Nostra: een nieuwe poging in 2014

Het maandblad van de Nederlandse Genealogische Vereniging (NGV) heeft een moeilijk jaar achter de rug. De gehele redactie stapte op, evenals een groot deel van het landelijk bestuur. De vernieuwde Gens Nostra werd van A5 naar A4 formaat gebracht maar kwam door de interne strubbelingen niet echt van de grond.
Met het dubbelnummer 1/2 van jaargang 69 wordt in 2014 een nieuwe poging gewaagd. En het valt wat mij betreft niet tegen. De opmaak is fris. Niet heel erg vernieuwend, eerder een vergrote versie van Gens Nostra van toen het nog als A5 uitkwam. Er staat een historische tekening op de cover die daarmee niet direct een kleurrijk beeld geeft (bijgaande foto is overigens niet erg scherp).
De nieuwe hoofdredacteur Frits van Oostvoorn geeft in het voorwoord ook aan dat men eerst een achterstand moet inhalen. Daarom zullen de eerste twee nummers van 2014 dubbelnummers zijn die min of meer bij elkaar geveegd oud materiaal bevatten. Daarna moet het echt los gaan met het nieuwe elan. Het redactieteam bestaat naast Van Oostvoorn uit Ben Matzinger, Maja Westhoff, Rob Dix en Hans van Felius.
Over de inhoud van dit nieuwe dubbelnummer: Anton Neggers schrijft over een scabreuze familiegeschiedenis in het artikel Chicanes ende Quaetrouweheijt, d'Esten contra van Beerwinkel, gebaseerd op processtukken uit de jaren 1657-1690 in Oirschot.
In De familie Engels in Sempse in de achttiende eeuw- een kroniek, gaat Roger van Kerckhoven in op een familie in de buurt van Mechelen en Brussel die van oorsprong van een Hollandse soldaat afstamde.
En ons aller Antonia Veldhuis uit Veenwouden is weer actief met een uitgebreid verhaal over 'Brieven van Cyriacus Hoorn senior en junior, vanuit Groningen geschreven aan hun bazen, de Stadhouders in de 17e en 18e eeuw'. Vader en zoon Hoorn waren in Groningen hofmeesters.
Verder nog een 'Portret' en een kwartierstaat van Victor Westhoff in dit nummer.

Een idee voor de redactie en het bestuur zou zijn om leden waarvan het emailadres bekend is ook een digitaal exemplaar aan te bieden, als pdf. Makkelijk om naderhand in te zoeken!

zondag 23 februari 2014

25 Frisse Fryske Ferskes, debuutbundel van Tomke Dragt

Onder het pseudoniem van Tomke Dragt, met een knipoog naar zowel de naam van de bekende kinderboekenschrijver Tonke Dragt als naar zijn eigen lengte, publiceert de conservator van de Stichting Musea Noardeast Fryslân, Ihno Dragt, een eerste dichtbundel.

De titel is: 25 Frisse Fryske Ferskes: sa mar út myn Hollânske pinne drippele.
Deze verraadt meteen al dat de schrijver geen Fries van origine is. En dat levert, zoals een ter zake kundige het uitdrukte, soms ongebruikelijke woordkoppelingen op die een ‘native speaker’ niet gauw bedenkt.
De auteur heeft met zijn debuutbundel niet de pretentie om hoogstaande poëzie te leveren. Sterker nog, hij geeft aan niet te weten wat dat is. Wel is het zijn ambitie om zijn plezier in het schrijven en dichten in de Friese taal over te brengen op de lezer. En hij doet dat door middel van rijmdichten, verrassende taalgrapjes en gegoochel met woorden.

Bij 16 verzen heeft Tomke Dragt bovendien een illustratie gemaakt. En doordat de gehele opmaak, inclusief het omslagontwerp, van zijn hand is, kan rustig gesteld worden dat het full colour boekje van 52 pagina’s in alles zijn stempel draagt.
Hij begint met een gedicht over de ramp van Moddergat in 1883 en eindigt met een rijm over Bonifatius. Daartussenin hebben de verzen allerlei thema’s tot onderwerp, zoals mijmeringen over de tijd, depressie, de natuur of met een persoonlijke belevenis als inspiratiebron. Er is een gedicht met afwisselend een Nederlands en een Fries woord Onder het pseudoniem van Tomke Dragt, met een knipoog naar zowel de naam van de bekende kinderboekenschrijfster Tonke Dragt als naar zijn eigen lengte, publiceert de directeur, een waarbij de beginletters van de woorden in iedere zin hetzelfde zijn, en zo al meer.

Van de verkoopprijs van € 12,45 is vier euro, het bedrag dat overblijft na aftrek van de drukkosten, bestemd voor de Stichting Markant Friesland.
Deze in Buitenpost gevestigde stichting is een samenwerkingsverband van musea in noordoost Fryslân. Sinds een jaar of vijf timmert deze stichting aan de weg om de organisatie van circa 25 aangesloten cultuuraanbieders (in zes gemeenten) en de beleving van de cultuurhistorie op een hoger plan te brengen.

Het boekje is te verkrijgen in de winkel van de musea in Dokkum en Moddergat, alsmede te bestellen via info@museumdokkum.nl. De verzendkosten bedragen € 3,50 per boekje.

Uitgeverij Walraven de Granje, Clantlaan 1  9843 EA Grijpskerk
ISBN/EAN: 978-90-821609-1-8

donderdag 20 februari 2014

De huurders en eigenaren van Noord-Friesland Buitendijks vanaf 1511

Uit het onderzoek van Marjan Vroom naar de landschapsgeschiedenis van Noord-Friesland Buitendijks bleek dat het agrarische gebruik van deze kwelder in ieder geval terug gaat tot de vijftiende eeuw en waarschijnlijk zelfs tot de twaalfde eeuw.
Belangrijke bronnen hiervoor waren belasting- en andere registers. De eerste registratie om grondbelasting te kunnen heffen heet het Register van den Aanbreng.
Het “Register van den aanbreng van 1511 en verdere stukken tot de Floreenbelasting” is in 1880 opnieuw uitgegeven en in te zien bij Tresoar. Het register beschrijft in welk dorp de huurders woonden, hoeveel grond ze totaal gebruikten en wat de huurwaarde van die grond was. Bovendien is ook vermeld van welke “landheer” de grond werd gehuurd. Er zijn slechts enkele van deze registers bewaard, waaronder die van Ferwerderadeel (Holwerd staat hier ook bij). Marjan heeft de eigenaren en de huurders van het buitendijkse gebied in 1511 in een document op de website gezet.

De Stemkohieren zijn een politieke stemadministratie en bevatten per boerderij informatie over eigenaren en gebruikers. De stemcohieren van 1640, 1698 en 1728 zijn opgenomen in HISGIS. Dit is een Historisch Geografisch Informatie Systeem, waarin ruimtelijke informatie in de vorm van kaarten is verbonden met gegevens uit Kadaster, Floreenkohieren, Stemkohieren en andere bronnen. De Fryske Akademy leidt dit landelijke project (www.hisgis.nl).
Ook hiervan heeft Marjan de gebruikers en eigenaren van percelen in de kwelder in een document beschikbaar gesteld.

Op de site van de Fryske Akademy staat ook van Achtkarspelen een transcriptie van het Register van de Aanbreng.
DBNL heeft nog een scan online met oa Kollumerland en op pag.225 enkele uittreksels uit de Proclamatieboeken van Oostdongeradeel rond 1687.

Update: In Sneuper 114, juni 2014 komt een artikel over de drinkdobben door Marjan Vroom.

vrijdag 14 februari 2014

Bierpissen en vrouwensmijten in Aldfryske rjocht

Han Nijdam van de Fryske Akademy schreef enkele jaren geleden naar aanleiding van zijn dissertatie het boek Lichaam, eer en recht in middeleeuws Friesland. Ook in de Vrije Fries van 2009 publiceerde hij over dit oude rechtstelsel.
Eer was een belangrijk principe voor de Vrije Friezen in de middeleeuwen. En als een Fries in zijn eer werd aangetast gaven de Oudfriese boeteregisters uitkomt over een passende straf. Daarmee kon hij een soort eerwraak nemen en smartengeld ontvangen.

Deze week zag ik scans van het manuscript van het Freeska Landriucht op Twitter voorbij komen en moest weer even denken aan de aardige briefkaarten die gemaakt zijn, waarop bijzondere gevallen van overtredingen en bijbehorende straffen uit dit wetboek van ca. 1300 geillustreerd worden.
Zo is daar het fenomeen bierpissen (Fries: Bierpisje, Engels: Pint pissing) dat als volgt omschreven staat: Hwasa otherem inane pinth pissie: tuia xv enza ieftha tian ethar.
Ofwel: Wie in iemand zijn bier pist moet twee keer 15 ons betalen of 10 keer onschuld zweren.

Of wat dacht u van deze: Vrouwensmijten (Fries: Frouljusmite, Engels: Femtossing).
In het Oudfries: Lef hir en frouue vr enne benc euurpen wert, thet hiu binitha gerdel blike and hit tha liude urse: fiften scillingar.
Vertaling:
Als een vrouw over een bank geworpen wordt zodat lieden onder haar rokken kunnen kijken, dan moet men haar 15 schellingen betalen.

Andere hilarische overtredingen zijn bijvoorbeeld: baardverbranden (Burdbaarne, Beard burning) en Rugspringen (Bekljeppe, Back leaping).

Hoedt u dus voor het onbezonnen benaderen van een Vrije Fries!

P.s. In bijgaande afbeelding is te lezen: Hidde fen Camminga, Parochijaan, Eerst to Dokkum, da to Aanjum. Wumkes zegt over hem: friesch edelman, zoon van Syds van C., broeder van Evert v.C. en Taco v.C., priester te Dokkum, daarna te Anjum, eindelijk ‘to Nyahow toe Liowerd’ in 1483. Hij is bekend geworden door het laten drukken van een verzameling oudfriesche wetten. Deze incunabel is zeer zeldzaam; nog niet is opgehelderd de plaats van drukken; genoemd worden: Anjum, Leeuwarden, Keulen en Leuven.

zondag 9 februari 2014

Adelborst Beilanus uit Ee in Slag bij Doggersbank op Eensgezindheid

Op onze website hebben we al een tijdje een index van de Betaalrol van het fregat Eensgezindheid der Friese Admiraliteit. Pieter Visser mailde die mij ooit. Het betrof de jaren 1780 t/m 1783. Het fregat stond onder commando van kapitein Willem Livius van Bouricius, die een buiten, Nijenburgh, tussen Kollum en Oudwoude bewoonde. Visser trof verschillende opvarenden uit onze regio aan en noteerde ze.
De familie Van Bouricius zou van oorsprong Bourix geheten hebben en uit Dokkum komen, maar eind 16e eeuw naar Leeuwarden verhuizen.
Willem Livius van Bouricius zag ik enkele jaren later wel weer terug toen Jeanine Otten online
publiceerde over 18e eeuwse proppen die uit een plafond als opvulmiddel gekomen waren en boodschappenbriefjes bleken te zijn. Havenmeester Cornelis Dirks Zijlstra van Harlingen ontving diverse briefjes van zeelieden en op een er van klaagde kapitein Jan Vlielander over Bouricius.
Pas recent realiseerde ik me dat het fregat Eensgezindheid onder leiding van Bouricius had deelgenomen aan de Slag bij de Doggersbank in augustus 1781.
Mogelijk dat Van Bouricius in zijn eigen regio wat extra geworven had want we komen diverse opvarenden tegen uit Noordoost-Friesland. Weliswaar deden ze niet allemaal mee aan de zeeslag maar enkelen toch wel.
Zoals bij voorbeeld adelborst Sytse Bylanus van Ee, opvarende van 1780-1782. Hij was in werkelijkheid Casparus Sytzo Beilanus afkomstig van Ee die in 1793 trouwde met Gertie Willems Huisinga afkomstig van Leeuwarden. Bij de geboorte in 1794 van hun eerste dochter Petronella Wilhelmina, wordt Casparus Sytzo aangeduid als oud luitenant ter zee.
Casparus Sytzo moet ook familie zijn geweest van Eyso de Wendt (zijn moeder was Idkse Beilanus), die ook een buiten bij Kollum bewoonde zoals later Van Bouricius. Het hielp Beilanus ongetwijfeld om een bevoorrechte positie aan boord te verkrijgen. 
Nog even terug naar Willem Livius van Bouricius en de informatie die Jeanine Otten op de site Vergetenharlingers.nl geeft:  
In 1781-1782 was Van Bouricius gezagvoerder op het schip De Eensgezindheid met 38 kanonnen en 230 koppen bemanning. Dit fregatschip was in 1778-1779 in opdracht van de Friese Admiraliteit in Harlingen gebouwd en in 1796 gesloopt. 
Willem Livius van Bouricius werd geboren op 8 oktober 1746. Vijf dagen nadat Jan Vlielander zijn briefje naar Cornelis Zijlstra had gestuurd, namelijk op 5 augustus 1781, commandeerde Van Bouricius zijn schip De Eensgezindheid in de Slag bij de Doggersbank. Hij lag met zijn schip achter of buiten de linie om de zwaardere schepen te ondersteunen en moest het zwaar gehavende schip De Batavier te hulp schieten. De slag eindigde feitelijk onbeslist, maar in Nederland werd de slag als een grootse overwinning gevierd. Alle hooggeplaatsten kregen van stadhouder Willem V een eremedaille aan een lint, de zogenaamde Doggersbankmedaille. De matrozen werden beloond met een geldbedrag. 
In de collectie van Gemeentemuseum het Hannemahuis is een unieke zilveren lepel ter nagedachtenis aan Willem Livius van Bouricius en zijn schip De Eensgezindheid. Op de achterzijde van de bak is een afbeelding gegraveerd van een fregat en het opschrift 'Ter Gedagtenis aan sLands Oorlog schip de Eensgezindh Gecomm door Capitein W:L:B:  P:S: 1781'. De lepel werd gemaakt door de Harlinger zilversmid Hoyte Jans Lieuwma (1739-1817). Deze zilversmid stamt overigens weer uit de familie van de Dokkumer stadsomroeper Pytter Lieuwma (ten tijde van het bewind van de Dokkumer burgemeester Julius Schelto van Aitzema).

Na de Slag bij de Doggersbank op 5 augustus 1781 werd de Eensgezindheid ingezet om schepen naar West-Indie, dus de Caribbean, te begeleiden. In october 1781 ging de Eensgezindheid weer op pad na een Missive van Prins Willem van Oranje.

Van der Aa meldt nog over hem: In 1782 hielp hij de naar Oost en West-Indië bestemde schepen begeleiden, zoo verre als men die voor eenige vijandelijke magt in de Noordzee meende te moeten beveiligen.
Nog wordt van Bouricius gemeld, dat hij in 1787 met het fregat de Pallas in het Vlie zeilree lag, toen de Stadhouder den Officieren van dit en drie andere schepen bevel gaf, om vooreerst niet uit te zeilen. In hetgene daar verder voorviel met Decker, Tulleken en den Luitenant Aegidius van Braam wordt Bouricius niet genoemd.
In 1788 en 1789 was Bouricius met de Pallas, een vieren-veertiger, in de Middellandsche zee, onder het eskader van den Kapitein J. Schrender Haringman, en werd door dien Bevelhebber met zijn schip en de Castor Kapitein van Capelle naar Gibraltar gezonden, om een wakend oog op de Marokkanen te houden.

Van Bouricius had een treurig einde toen het schip waarop hij het commando voerde, de hulk De Dwinger, in 1793 in het Vlie in vlammen opging. 

Een kaart met slagordes van de schepen in de Slag bij de Doggersbank en allerlei andere afbeeldingen vindt u in de collectie van het Rijksmuseum.

dinsdag 4 februari 2014

Wiebe Siewerts uit Molkwerum bracht collectie Seba naar de tsaar

Jozien Driessen-Van het Reve beschrijft in haar boek De Kunstkamera van Peter de Grote hoe de preparaten-collectie van apotheker Albertus Seba verkocht werd aan tsaar Peter de Grote en ook hoe Seba hielp bij de verzending van de anatomische collectie van doodskunstenaar en professor in de anatomie Frederik Ruysch.
Op blz. 93: Op 3 juni 1716 had Seba de apothekerswaren voor de Hofapotheek van Sint-Petersburg geladen op De Blauwe Klocke, met schipper Wiebe Siewerts, bestemming Petersburg. De apothekerswaren bestonden uit 74 colli, genummerd en gemerkt A.P. Volgens de order waren de stukken geconsigneerd aan de heren Ranson, Parsons en Waidt. Seba had de zending ook laten verzekeren: de apothekerswaren op het schip De Blauwe Klocke voor een waarde van ƒ15.000 à vijf percent, en die voor de Hofapotheek in Moskou, die op het schip De Swarte Haan met schipper Claas Mentse (Claes Mentsen van Vlieland, zie Notariele akten over de Archangelvaart 1594-1724 en de Sonttolregisters Online, HZ) naar Archangel gingen, voor een zelfde bedrag. De rekening en cognossementen hiervan zou hij per post verzenden.
Op 2 september 1716 berichtte Schumacher aan Seba de goede aankomst zowel in Sint-Petersburg als in Archangel. Aan Areskine schreef Schumacher op 24 oktober 1716 ‘dat de apothekerswaren door de apotheker, de heer Baehr, in ontvangst genomen waren en zonder schade bevonden. Honderd maal beter dan vorig jaar’, was diens oordeel geweest.
Op blz. 113: De lijst van de collectie Seba. Mei ging voorbij. Tenslotte vertrokken de schepen naar Sint-Petersburg op 4 juni 1716. Het kabinet was geladen aan boord van het schip De Blauwe Klocke met schipper Wiebe Siewerts tezamen met de bestelling voor de Hofapotheek.
Aan boord bevond zich de apothekersgezel Balthasar Staehl die zorg zou dragen voor de collectie. Seba drong er bij Schumacher (de secretaris van Areskine, HZ) op aan dat hij een goed woordje voor hem zou doen bij Areskine (de Schotse lijfarts van de tsaar, ook als Erskine geschreven, HZ) en dat hij dan misschien een baan kon krijgen. Hij had drie jaar bij Seba naar volle tevredenheid gediend. Seba had hem een lijst meegegeven die hij aanduidde als ‘einige notitien’.
Er is dus sprake van een catalogus grosso modo, opgestuurd op 4 oktober 1715 en door Seba ook aangeduid als ‘kurtzen auffsatz’, en van ‘einige notitien’ die de apothekersjongen bij zich had. Deze laatste lijst is dezelfde lijst die als kopie te vinden is in de afdeling handschriften van de Bibliotheek van de Academie van Wetenschappen in Sint-Petersburg.
Achterin dit boek is deze Nederlandse lijst getiteld Notitie van verscheyde uytmuntende Cabinette met alle bedenklyke soorten van Rariteyten, waar de hele collectie Seba staat opgesomd, als bijlage II opgenomen. Seba had zijn collectie (‘het kabinet’) voor een waarde van ƒ15.000 verzekerd à vijf procent. De bestelling voor de Hofapotheek in Sint-Petersburg bestond uit 74 colli alle genummerd en gemerkt A.P. (Apotheek Petersburg). Alles was volgens order geconsigneerd aan Ranson, Parsons & Waith. Seba had nog niet te horen gekregen waar de factuur en cognossementen heen moesten.
Opvallend is dat Seba de kisten waarin zijn kabinet zat verpakt, merkte met zijn eigen merk (een ster met een S in het midden), met het merk R.A. voor Robert Areskine, of met het merk van de tsaar. Het  was alsof hij er nog niet helemaal afstand van had gedaan.

Op blz. 101:  Op 7 juni antwoordde Seba Areskine op diens brief van 2 mei 1718, die hij 3 juni had ontvangen. Hij kon Areskine vertellen dat in het schip Juffrouw Anna Maria, per schipper Jan Pietersz. Vettevogel, en in het schip Stad Coningsbergen, per schipper Wiebe Siewerts, te samen met de wijnen en de andere bestellingen voor Areskine, de apothekerswaren voor de Hofapotheek en de Admiraliteitsapotheek in Sint-Petersburg zaten geladen. Dit keer wachtten in Petersburg Schumacher en Areskine al eind juni 1718 ‘met spanning tot de schepen met de geneesmiddelen binnenliepen want de oude voorraden verkeerden in een droevige toestand’..

De tsaar had na zijn twee bezoeken aan de Republiek (in 1697 en 1717) besloten eerst de collectie van Seba te kopen (in 1716 voor 15.000 gulden) en in 1718 ook de collectie anatomische preparaten van Frederik Ruysch, botanicus en anatoom te Amsterdam.

Blz. 151:  Seba had de opdracht d.d. 2 mei 1718 de kisten waarin de anthropogenia van het kabinet Ruysch zaten gepakt naar Lübeck te sturen, pas op 3 juni 1718 ontvangen. Op 7 juni antwoordde Seba Areskine dat het kabinet al geheel geladen was.
53 kisten genummerd van 1 tot 53 bevonden zich op het schip de Juffrouw Anna Maria (een hoeker, HZ), met schipper Jan Pietersz. Vettevogel, en 47 kisten zonder nummer op het schip de Stad Coningsbergen, met schipper Wiebe Siewerts, tezamen met de wijnen en de andere bestellingen voor Areskine en ook de apothekerswaren voor de Hofapotheek en de Admiraliteitsapotheek in Sint-Petersburg. Omdat de schepen al helemaal geladen waren en omdat Seba niet wist in welke nummers de stukken gepakt waren, kon er niets meer uitgehaald worden. Het kon niet meer veranderd worden en Seba hoopte dat door Gods geleide de aankomst in Sint-Petersburg gelukkig en wel zou zijn. Er waren niet meer dan twee schepen naar Sint-Petersburg onderweg; daarom had hij het kabinet niet over meer schepen kunnen verdelen. Seba had alles volgens opdracht laten verzekeren, hij stuurde met de volgende post de rekening en de cognossementen. De schepen wachtten op het konvooi en op goede wind. Het Ruysch-kabinet zat gepakt in totaal 98 colli.
De nummers 99 en 100 waren twee kisten met boeken die door Seba aan Areskine waren geadresseerd, één uit Frankrijk en de andere van meneer Van den Burg.

Voor de verzending van de collectie schakelde de tsaar, via een agent, ervaren schippers van Amsterdam op Sint Petersburg in. Wiebe Siewerts uit Molkwerum en Jan Pieters Vettevogel uit Amsterdam (maar waarschijnlijk uit Harlingen en ook wel Houtsma genoemd).

In de Sonttolregisters Online zijn diverse reizen van Wiebe Siewerts en Vettevogel terug te vinden.
Op 15 juli 1716 passeert Wiebe Siewerts de Sonttol met de collectie Seba aan boord (waarschijnlijk beschreven als koopmanswaren).
In De Kunstkamera van Peter de Grote wordt gemeld: In Amsterdam wachtte Seba in spanning af hoe het zijn collectie zou vergaan. Eind augustus had hij nog geen bericht ontvangen. Niet van Areskine en niet van Schumacher. Wel had hij half augustus een brief van zijn vroegere gezel Balthasar Staehl gekregen. Die schreef hem uit Kopenhagen dat het schip De Blauwe Klocke, waar hij aan boord was, samen met de volledige lading aangekomen was in Kopenhagen. Ze waren daar binnengelopen omdat ze bang waren in handen te vallen van ‘de Zweedse Kapers’. Staehl had zich aangediend bij Areskine die met de tsaar in Kopenhagen verbleef en gemeld dat de bestelling voor de Hof-apotheek en het kabinet in de haven aangekomen waren. Waarop Areskine geantwoord had dat hij daar verheugd over was, maar dat hij niets kon doen om een spoedig vertrek naar Petersburg te bevorderen tot er een order werd gegeven door de tsaar om de schepen verder naar Sint-Petersburg te begeleiden.
Areskine gaf de jonge apotheker een brief mee om aan Schumacher te overhandigen met instructies voor het in ontvangst nemen van de collectie. Toen de schepen op 19 augustus 1716 in goede orde op Cronslot (het tegenwoordige Kronstadt op het eiland Kotlin, dat lange tijd dienst deed als de haven van Sint-Petersburg) arriveerden, las Schumacher in de instructie van Areskine dat ‘niemand behalve de jongen die het kabinet had begeleid het kabinet mocht aanraken tot de terugkeer van de tsaar’.
Staehl begon met assistentie van Schumacher alles uit te pakken en de lijst te controleren. Op 2 september 1716 waren ze zo ver gevorderd dat Schumacher Seba kon melden dat het kabinet goed was aangekomen. Slechts één kist, met animalia had door het hevige schommelen van het schip schade geleden, zodat zij genoodzaakt waren de alcohol (l’eau de vie ) bij te vullen.‘Balthasar Staehl heeft de zorg voor het kabinet op zich genomen zodat het er goed uit zal zien als de tsaar terug komt’. ‘De anatomische preparaten zullen Areskine bevallen’, schreef Schumacher aan Seba. Het geld zou snel komen, maar, verontschuldigde hij zich, ‘in abwesenheit einer person habe man grossemühe geld aus das prikasen zu bringen’.
Om de rest van het verlangde geld voor het kabinet over te kunnen maken, was klaarblijkelijk de terugkeer van Areskine vereist. Ook Areskine kreeg van Schumacher bericht over de aankomst van de collectie. Bij het openen van de kisten had deze niet alleen alles in goede orde bevonden, maar ook kunnen vaststellen dat ‘er nog meer in zat dan Seba in zijn catalogus had vermeld’. De fiolen [ phioles ] die moesten worden bijgevuld, had hij bijgevuld met wijngeest [l’esprit du vin ]. ‘De rest is god zij dank in goede staat en ik heb alles terug gepakt in de kisten tot de terugkeer van de tsaar’.

Overigens begon Albertus Seba na de verkoop gewoon weer overnieuw met verzamelen! Uitgever Taschen gaf er vrij recent een mooi boek over uit (in 2011). 

Met de collectie van Frederik Ruysch zien we dat Jan Pieters Vettevogel passeert op 8 juli 1718 de Sonttol in Elseneur/ Helsingor. Een dag later wordt Wiebe Siewerts voor de Sonttol geregistreerd met geregistreerde bestemming Tallin.

Ook in 1719 had Wiebe Siewerts nog een lading via Seba: blz.188: In de derde week van juni 1719 verzond Seba echter weer een lading genummerde colli bestemd voor archiater Blumentrost met schipper Wiebe Siewers.
Hij was door Brants tevoren betaald met een wissel van de archiater van 1.330 roebel ‘voor de nieuwe rekening van de Moskouse apothekerswaren’. Seba had kennelijk weer een bestelling in de wacht weten te slepen.

Wiebe Siewerts (=Wiebe Sjoerds) trouwde vermoedelijk in 1722 (hoewel ook in 1701 een Wybe Syoerts van Molkwerum trouwt): Hemelumer Oldeferd, huwelijken 1722.Vermelding: Bevestiging huwelijk op 7 maart 1722, Bruidegom: Wybe Sioerds afkomstig van Molkwerum, Bruid: Sijmentie Clases afkomstig van Molkwerum. Opmerking : Hij is schipper.

Zoals vaak komen namen in de Sonttolregisters Online voor met diverse spellingsvormen. Zo komt Wiebe Siewerts voor (Datum doorkomst/Naam/Thuishaven/Route):
16-9-1726Wiebe Siewers/Molquern/Amsterdam - Petersborg
12-5-1727Wiibe Sievers/Molqueren/Amsterd. - Petersborg
31-8-1724Wiibe Sievers/Amsterd./Amsterd. - Petersborg
26-6-1720Wiibe Sieverts/Molqueren/Amsterd. - Petersburg
7-6-1715Wiebe Siewers/Molquern/Amsterd. - Petersbourg
1-6-1721Wiebe Siewerts/Molqweren/Amsterdam - Petersborg
15-7-1716Wibe Siewers/Molquern/Amsterd. - Petersborg
12-7-1719Wiebe Siewerts/Mollgwern/Amsterdam - Petersborg
22-6-1722Wiibe Sieverts/Molqueeren/Amsterd. - Petersborg

Update: Wiebe Siewerts komt in 1709 voor in de Zeebrieven op de site van Miriam Klaassen: 20.4.1709: schipper Wiebe Sieuwerts, Molkwerum, ww, "de Anna Helena", 28. De afkorting ww staat voor "bij waare woorden in plaatse van eede". Vanwege hun geloofsovertuiging waren doopsgezinden niet bereid om de eed af te leggen. Wapens mochten zij ook niet dragen. Doopsgezinde schippers hadden dan ook een voorkeur voor de Oostzeevaart, omdat het niet gebruikelijk was de koopvaarders naar het Oostzeegebied te bewapenen. Wiebe was dus blijkbaar ook doopsgezind!
Jan Pieters Vettevogel komt op dezelfde Zeebrieven-site voor bij de jaren 1716 en 1718 met het schip de Juffr. Anna Maria, vanuit Harlingen.
Claas Mentse van Vlieland tenslotte komt voor in 1713 met de oude Swarte Haan en is gezien de aanduiding ww ook van doopsgezinde huize!

Uit een archiefstuk in het Familie-archief De Clerq in Stadsarchief Amsterdam blijkt dat Wiebe Sieuwerts in april 1713 met zijn galjootschip Anna Magdalena overvaren is door de Stadt Alckmaer van schipper Anne Jolles. Hij kreeg daarvoor een schadevergoeding.

Jan de Vries uit Koudum had aanvullingen: Wiebe Sieuwerts komt voor in de doopsgezinde ledenlijsten Molkwerum. Gedoopt op belijdenis 12 jan 1697. Op 14 febr. 1726 en 18 jan. 1728 was hij diaken.

Hemelumer Oldeferd, huwelijken 1722 Vermelding: Bevestiging huwelijk op 7 maart 1722 Bruidegom: Wybe Sioerds afkomstig van Molkwerum     Bruid: Sijmentie Clases afkomstig van Molkwerum Opmerking : Hij is schipper. Trouwregister Gerecht Hemelumer Oldeferd & Noordwolde 1665-1806 Inventarisnr.: DTB 367

Via de zoekmachine voor historische kranten, Delpher, vinden we ook diverse vermeldingen van Wiebe, gespeld als Wiebe Sieuwerts:
6 februari 1714, Wiebe Sieuwerts te Nieu-Casteel (Newcastle) van hier.
28 juni 1714, Wiebe Sieuwerts van Koningsbergen.
16 februari 1715, Schipper Wiebe Sieuwerts is uyt defe Stad gekomen.
24 augustus 1717,  Tot Revel zijn gearriveert Wiebe Sieuwerts van hier en Jan Rut van Lubeck, nevens eenige Engelfe Schepen : Het Engels Convoy, dat defe Schepen na Revel geconvoyeert heeft, was met Coopvaerders'na Petetsburg voortgezeylt.
30 september 1724, Wiebe Sieuwerts van Petersburg.

donderdag 30 januari 2014

Historisch Tijdschrift Fryslan over Eerste Wereldoorlog

Hij voerde de eenheidsworst (vaste prijs voor vlees waaraan kruiden, zout en suiker was toegevoegd) in en loodste in juni 1918 de Scheurwet door het parlement. De minister van Landbouw, Nijverheid en Handel in het kabinet Cort van der Linden, Folkert Evert Posthuma, werd het symbool van de rantsoenering, voedselschaarste en honger tijdens de Eerste Wereldoorlog. In Friesland hadden ze er weliswaar minder last van dan in de Randstad maar tegen het einde van WO1 begonnen ze er in het Heitelan ook genoeg van te krijgen. Dokkumer Cees Bangma laat de gebeurtenissen in een uitgebreid artikel de revue passeren.
Ons lid Dr. Arjen Dijkstra laat in de rubriek Wurk Under Hannen zien hoe volgens Dr. Oebele Vries de Friese Staten veel ouder dan gedacht zijn. Al omstreeks 1425 waren er vergaderingen waar men 'stemmen en staten' kende, dus ruim voor de Saksen het rond 1500 voor het zeggen kregen in Friesland.
In Plekken en Verhalen vertelt Hans Koppen over Hepkema's Boschjes, weldoen met groen. In de buurt van Heerenveen werd vanaf 1912 door krantenman Hepkema en Jonkheer Van Beijma thoe Kingma gelegenheid gegeven om van de natuur te (blijven) genieten.
De Friese predikanten Petrus Nauta en Pieter Bootsma bekeken met eigen ogen het leven in de Brabantse garnizoenen, waarover Nauta een boekje schreef. In het artikel van Kerst Huisman wordt de optie naar voren gebracht dat de anonieme plaatsen X en IJ op Tilburg en Hilvarenbeek zouden kunnen slaan.
Het Friestalige artikel Fryslan foar de Friezen van Doeke Sijens verhaalt over het Jongfryske Mienskip dat op Tweede Kerstdag 1918 een Winterkongres hield. Douwe Kalma en Rintje Sybesma waren de oprichters in 1915.
Geart de Vries schreef een artikel over Een Belgische invasie in Gaasterland. Met de veerboot Enkhuizen-Stavoren kwamen de Belgen aan zetten hun tenten op bij de boerderij van Sjoerd de Vries.
De rubriek Uitvinders en Pioniers gaat in op scheepsontwerper Folkert van Loon in Loeflijnen en buiglinealen. Jan van Zijverden beschrijft de ontwerpen en de man die door Wopke Eekhoff  'een genie' werd genoemd.
Als laatste artikel De handpin van Hallum, een 11,1 centimeter lange zilveren pin met een handje die in de terp Jouswier in Hallum werd gevonden. De pin is gemaakt tussen 400 en 700 na Chr. Is het een Koninklijk of Kerkelijk symbool?

We vragen ook nog even aandacht voor ons eigen boek dat in de rubriek Boeken Kort wordt beschreven: Op de Praatstoel 2, oral history in Noordoost-Friesland vanaf 1850. U kunt het nog bij ons bestellen, slechts 20 euro excl. portokosten voor 408 blz hardcover met vele foto's (af te halen in Dokkum of Oosternijkerk.

dinsdag 28 januari 2014

De Caeskopers, een Zaanse koopmansfamilie in de Gouden Eeuw

Een interessant boek waarin de bijzondere details van het doopsgezinde leven van een koopman en zijn familie in de Gouden Eeuw uit de eerste hand worden beschreven. Koopman Claas Arisz Caeskoper in Koog aan de Zaan begon in 1669 als achttienjarige een dagjournaal bij te houden. Hij hield dat zestig jaar lang vol, tot tien dagen voor zijn dood.
Het journaal bevat een schat aan aantekeningen over het dagelijkse leven in de Zaanstreek en bovendien schreef Caeskoper met graagte over zijn avontuurlijke ondernemingen, zoals tripjes naar het oorlogstoneel in het Rampjaar 1672 (ze gingen gewoon kijken hoe er over en weer geschoten werd bij Bodegraven en Naarden!) en schaatstochten, waaronder een van bijna 300 kilometer. Over zijn bezigheden als koopman schreef hij minder, maar daarover bleek veel te achterhalen in de nagelaten papieren van zijn broer Gerrit.
De combinatie van deze familiedocumenten met ander eigentijds materiaal heeft een levendig portret opgeleverd van een familie in het hart van de Zaanse bedrijvigheid in de Gouden Eeuw. De negotie van Claas Caeskoper is later uitgebouwd tot het levensmiddelenconcern Honig. Ook die toedracht wordt in het boek verhaald.
Via zijn dagboek is de "Twaalfstedentocht" bekend geworden. Claas Arisz telde van alles. Maar vooral zijn voetstappen. Hij noteerde resultaten en hield het tellen over lange afstanden vol. De weg naar het Regthuys in Westzaan mat hij in drie stukken: het pad van Zaandijk tot het begin van De Middel was 2700 treden lang, het Weiver 1000 treden en dan linksaf tot het Regthuys nog eens 325 treden.
Aardig is ook de afbeelding in het boek van een schip uit 1668, dat grote gelijkenis vertoond met een van de scheepjes op een glas-in-loodraam uit de kerk van Hollum op Ameland die 1679 gedateerd is. Voor vele historici en genealogen een prettig leesbaar boek in de collectie.

zondag 26 januari 2014

Herdruk boeken: Wierum en haar bewoners en De Hellinga's

Onze secretaris Jan de Jager is de auteur van twee reeds uitverkochte boeken over onderwerpen uit de regio Noordoost-Friesland. Ze worden nu herdrukt. Het boek Wierum en haar bewoners is een soort bijbel over de bewoners van het dorp vanaf 1650, met vele oude foto's.

De Hellinga's is een genealogisch boekwerk over de familie in 15 generaties. De eerste Hellinga die bekend is, is Douwe Gercks, geboren in 1523. Hij huwt met Saeck en ze hadden in ieder geval één zoon: Aelse Douwes.
De kleinzoon van Douwe Gercks is Douwe Aelses. Hij is boer en eigenaar van de boerderij ‘Klein Hellinga’ te Warga.
Behalve de familie Hellinga zijn ook de complete stambomen van de Baarsma’s en de Jensma’s in dit unieke boekwerk verwerkt. Daarnaast zijn Kingma en Bierma veel voorkomende namen.

Het dikke boek over Wierum kost 37,50 en heeft 701 pagina's.

De Hellinga's heeft bijna 1500 pagina's en bestaat uit twee delen. De prijs daarvan is 62,50 exclusief verzendkosten. U kunt uw interesse laten blijken door een mail te sturen naar de secretaris.

vrijdag 24 januari 2014

Friese dwerg Wybrand Lolkes internationaal bekend

Wybrand Lolkes kwam tijdens een recent bezoek aan de Artis-bibliotheek weer eens ter sprake. Hij was een dwerg uit Friesland die in de 18e eeuw zijn bijzondere verschijning te gelde maakte. Dat hij opviel blijkt vooral uit de vele bewaard gebleven prenten waarop hij figureert.
De ets die o.a. het Stadsarchief in Amsterdam van hem in de collectie heeft kende ik al wel, evenals een afbeelding uit 1751 van de menagerie van Blaauw Jan aan de Amsterdamse Kloveniersburgwal, waarop Wybrand aan de linkerzijde in beeld is.
De herberg annex dierentuin van deze in werkelijkheid Jan Berends Westerhof hetende uitbater (ook een Fries?) werd eind 17e eeuw (vermoedelijk rond 1675) geopend. Niet alleen werden allerlei exotische dieren getoond, maar ook uitzonderlijke mensen.
Wybrand Lolkes woonde blijkbaar in de herberg waar de “niet hoger dan 29 Duim” tellende Fries o.a. verbleef met de 2,25 meter lange reus Cajanus. In 1764 was er nog een heuse Indiaan te zien, “Een Wilde, Sychnecta genaamt, van de Mohawk uyt Noord-America.”
Het pamflet waarmee Wybrand Lolkes in 1749 werd aangeprezen vermeldt dat hij toen 24 jaar oud was en geboren te Oostem. Dit is waarschijnlijk Oosthem, hoewel ik in de DTB bij Tresoar voor het jaar 1725 geen doop met die naam kon vinden, wel in het nabij gelegen Hommerts in 1728. Gedoopt op 14 maart 1728 in Hommerts: Wybe, Kind van Lolcke Palses en niet genoemde moeder. Opm.: De dopeling is enige weken oud. Het zou echter ook deze kunnen zijn: Gedoopt op 8 april 1731 in Heeg. Dopeling: Wiberen, zoon. Vader: Lolke Hylkes. Maar meer waarschijnlijk is dat het doopboek van Oosthem gewoon verloren is gegaan. Over de genealogische context van Wybrand Lolkes discussieerden Margreet Huisman en Maikel Galama ook op het Tresoar Forum.

In diverse Engelse bronnen wordt Wybrand vaak vermeld als zijnde van IJlst (Yelst), een vlakbij gelegen Fries stadje.
Een nazaat van zijn nicht Baukje Uiltjes uit Abbega beschreef Wybrand ooit als Lytse Wybren: Hij woonde in IJlst en is ook nog gehuwd geweest met een vrouw van middelbare lengte die met hem reisde van de ene naar de andere plaats om te laten bezien en om alzo in dien weg in het levensonderhoud te voorzien (Uiltje Foppes Wiersma 1838-1916).
En inderdaad zijn er ook enkele afbeeldingen waarop hij met zijn vrouw (van normale lengte) staat afgebeeld. Zeker nu recent de Wellcome Library een groot aantal historische afbeeldingen online heeft gezet. Zo vind je bijvoorbeeld een afbeelding uit 1790, waarop hij nu opeens weer '60 years of age' wordt genoemd en 'The celebrated man in miniature'. Of een variant op die afbeelding met de Dutch Dwarf.
Engelse bronnen, zoals het boek Wybrand Lolkes, the Dutch Dwarf, melden ook dat hij eigenlijk als uurwerkmaker was opgeleid in Amsterdam, als zelfstandige werkte in Rotterdam en uit een gezin van 8 kinderen kwam met een vader die visser was.  
Rond 1790 toog hij voor een jaar naar Engeland: Wybrand Lolkes was a native of Holland, and born at Jelst in West Friesland, in the year 1733, of parents in but indifferent circumstances, his father being a fisherman, who besides this most extraordinary little creature, had to support a family of seven other children, all of whom were of ordinary stature, as were both the father and mother. Wybrand Lolkes, at an early age, exhibited proofs of a taste for mechanism; and when of sufficient age, was, by the interest of some friends, placed with an eminent watch- and clock-maker at Amsterdam, to learn that business; he continued to serve this master for four years after his apprenticeship, and then removed to Rotterdam, where he carried on the business of a watch-maker, on his own account, and where he first became acquainted, and afterwards married, the person who accompanied him to England. His trade of watch-maker, however, failing, he came to the resolution of exhibiting his person publicly as a show;
and by attending the several Dutch fairs obtained a handsome competency. Impelled by curiosity and hope of gain, he came to England, and was visited at Harwich (where he first landed) by crowds of people; encouraged by this early success, he proceeded to London, and on applying to the late Mr. Philip Ashley, obtained an engagement at a weekly salary of five guineas. He first appeared at the Ampitheatre, Westminster Bridge, on Easter Monday, 1790, and continued to exhibit every evening during the whole season. He was always accompanied by his wife, who came on the stage with him hand in hand, but though he elevated his arm, she was compelled to stoop considerably to meet the proffered honour. At this time he was sixty years of age, measured only twenty-seven inches in height, and weighed exactly fifty-six pounds.
Mynheer Lolkes was a fond husband; he well knew the value of his partner, and repaid her care of him with the most fervent affection. He had by his wife three children, one of which, a son, lived to be the age of twenty-three and was five feet seven inches in height.
This little man, notwithstanding his clumsy and awkward appearance, was remarkably agile, and possessed uncommon strength, and could with the greatest ease spring from the ground into a chair of ordinary height. He was rather of a morose temper and extremely vain of himself, and while discoursing in broken English was extremely dignified as he imagined. He continued in England but one season, and through the help of a good benefit, returned to his native country, with his pockets better furnished than when he left.
De mysterieuze dame, met wie Wybrand Lolkes getrouwd was en 3 kinderen kreeg, vinden we in de DTB van Oosthem, Abbega en Folsgare in 1773: Bevestiging huwelijk op 20 juni 1773 in Abbega. Bruidegom: Wybrand Lolkes afkomstig van Oosthem. Bruid: Yetske Sikkes afkomstig van Workum. Attestatie werd afgegeven in Workum waar over Wybrand nog vermeld wordt dat hij wees was.
In 1801 zou Wybrand Lolkes zijn overleden.
Oh, en u denkt misschien: wat hebben ze dan van Wybrand Lolkes in de Artis-bibliotheek? Nou, mogelijk staat hij op deze afbeelding van een casuaris uit de menagerie van Blaauw Jan.

zondag 19 januari 2014

Friezen in South-Africa's Stamouers

Antonia Veldhuis, de webcolumniste van de NGV, wees op een interessante Zuidafrikaanse website, genaamd Stamouers.com
Het betreft stamouders van Zuidafrikaanse families die veelal met de VOC meekwamen.
En dan gaan we natuurlijk even kijken in de zoek-functie (search)!
Op Friesland vind je diverse namen:
Dirk Postma, in 1818 geboren in Dokkum. Zijn vader kwam uit Stiens en zijn moeder was een Boekhout.
Geele Andries van der Wal(t), uit Veenwouden, werd veeboer in Zuid-Afrika. In 1727 kwam hij aan op de Kaap.
Steven Botma, kwam weliswaar uit Arnhem naar Zuid-Afrika, maar zou wel eens verwant kunnen zijn aan de familie uit de Dongeradelen.
Van een vroege lichting was Gerrit Willems uit Leeuwarden die in de tijd van Simon van der Stel, eind 17e eeuw al met de VOC naar Zuid-Afrika kwam.

Probeert u zelf ook maar eens te sneupen in deze online bron!

Update: Prachtig blog met achtergrondinformatie, oude foto's, verhalen en documenten uit de familie Van der Walt in Zuid-Afrika.

woensdag 15 januari 2014

Bijzondere Friese en Groningse vondsten

Via Twitter werd ik geattendeerd op een initiatief van de Koninklijke Bibliotheek, met als doel het promoten van de zoekmachine voor historische kranten, Delpher. Meer dan een miljoen boeken en artikelen uit de 17e t/m 20e eeuw kunnen daarmee doorzocht worden.

Als ode aan de vrijetijdshistorici, ofwel sneupers, zijn er mensen geinterviewd die een mooie vondst te melden hadden. Ze zijn geportretteerd in een kort filmpje waarin hun vondst toegelicht wordt. Daarbij worden ook gerelateerde vondsten in Delpher vermeld. Vervolgens kun je stemmen op je favoriete vondst. Als stemmer kun je eveneens een prijs winnen: een atlas.
Onder de sneupers die vermeld worden diverse noordelingen.

Allereerst ons lid Erik Dijkstra. Hij vond een blik met brieven uit de Tweede Wereldoorlog. In deze egodocumenten wordt door verschillende mensen soms dezelfde gebeurtenis beschreven, wat een interessant beeld geeft. Hij heeft er zelfs een prachtige website voor opgezet, Strafkamp Yde, die vele positieve reacties van nabestaanden van deze gevangenen (diverse Friezen) losmaakte. Volgens Erik begon het verhaal met het dagboek van zijn opa Eelke Dijkstra (Anjum 1901-1969, zoon van Jacob Dijkstra en Grietje Wobma). Een goede kandidaat om op te stemmen dus op de website Je beste vondst.

De Groninger gebroeders Mulder vonden in het archief een bedankbrief van de VOC aan Wiebe Hayes, een Winschoter die tijdens de Ondergang van de Batavia in 1629 een heldenrol vertolkte, in tegenstelling tot de in Dokkum opgegroeide bruut Jeronimus Cornelisz! Ook een mooi verhaal.

Ook VOC-gerelateerd is het verhaal van de Zeeuw Arthur Scheijde, die maar liefst 3 voorouders heeft die schipbreuken meemaakten. Ik kocht ooit zijn (strip-)boek over de in 1779 gestrande Woestduijn.

Maar misschien wel de mooiste, niet in het minst vanwege de naam en de connectie met mijn geboorteplaats Groningen, is de vondst in de Groninger Archieven door Nienke Smit van een brief van Cornelis Jacobs van Groenevelt, waarin de olifant Hansken vermeld wordt die in Groningen halverwege de 17e eeuw mag rondstruinen! Ook hierbij een website waarin de hele reis door de jaren van olifant Hansken in beeld gebracht wordt. Zelfs Rembrandt schilderde Hansken in 1637!

maandag 13 januari 2014

Holwerder kapitein Hoekstra leed in 1871 schipbreuk bij Macao

In de kerstvakantie was ik in de buurt van Sneek en maakte van de gelegenheid gebruik om eens het Fries Scheepvaartmuseum te bezoeken. Ik zag er prachtige schilderijen met zeegezichten, scheepsmodellen en andere indrukwekkende maritieme erfstukken.
Er is echter ook een uitgebreide bibliotheek annex archief bij het museum. Al eens eerder vond ik online daarin brieven van de familie Rosier, waar Pieter Fokkes Visser onderzoek naar doet.

Recent vond ik ook iets anders interessants. Het heeft de volgende beschrijving:
Archief van K. Hoekstra, zeekapitein te Holwerd
1 Reisverslag van een reis die kapitein K. Hoekstra maakte in 1871 naar China (Macao, Hongkong) op het barkschip Rolina Maria, 1872, 1 deel
N.B. Het verslag is geschreven in een cahier. Op het etiket van het cahier: "Verhaal van de schipsreis door hem zelf ondervonden en opgemaakt van de te houden lezing, gehouden door Kapitein K. Hoekstra in de Kerk te Holwerd op 22 Feb. 1872". De lezing handelt over de schipbreuk die Hoekstra leed in de buurt van Macao. Signatuur: H-003

Nu kun je wel scans bestellen bij het Fries Scheepvaartmuseum maar dat loopt behoorlijk in de papieren, zeker als je niet precies weet om hoeveel bladzijden het gaat en hoe interessant ze zijn. Vandaar hierbij de vraag aan u als collega-sneupers: Mocht u binnenkort eens in Sneek zijn en het Fries Scheepvaartmuseum bezoeken, zou u dan foto's kunnen maken van bovengenoemd manuscript? U kunt het naar ons bekende email-adres sturen. Alvast dank!
Oh, en als u er direct een artikel voor De Sneuper over wilt schrijven bent u natuurlijk ook welkom.

Update: Ik denk dat het deze Klaas Hoekstra is:
Huwelijksakte Westdongeradeel, 1864
Bruidegom: Klaas Ydes Hoekstra, oud 31 jaar, geboren te Holwerd
Vader: Yde Hoekstra
Moeder: Pietje Wiegers Oegema
Bruid: Aaltje Radersma, oud 25 jaar, geboren te Hallum, gemeente Ferwerderadeel
Vader: Haike Andries Radersma
Moeder: Joukje Frankes van der Meer
Datum: 14 mei 1864, akte nr. 13

Overlijdensakte Westdongeradeel, 1909
Aangiftedatum: 3 november 1909, akte nr. 103
Overleden op: 3 november 1909
Overleden: Klaas Ydes Hoekstra, 77 jaar, man, gehuwd

Een Klaas Hoekstra uit Holwerd komt ook veel voor met aan- en verkopen in de Notariele Archieven van Tresoar ook na 1909. Dus dat moet een andere kandidaat zijn. Helaas staat online zijn beroep niet vermeld.

zondag 12 januari 2014

Maritiem symposium op zoek naar echte schepen

De scheepswerf van Eeltje Holtrop van der
Zee (1823-1901) te Joure, waar hij en zijn
zoon Auke (1853-1939) hun beroemde
vaartuigen bouwden.
Bron foto: Tresoar
Er varen gelukkig nog veel oude schepen rond op de Nederlandse wateren. Oude vracht- en vissersschepen en pleziervaarders worden door hun eigenaars zorgvuldig opgeknapt en zo goed mogelijk onderhouden. Soms zijn ingrijpende restauraties nodig waarbij masten en zwaarden opnieuw worden geïnstalleerd. Met elkaar vormen deze schepen de bruine vloot en zijn ze niet alleen voor de eigenaars, maar ook voor de toeschouwers op de wal een lust voor het oog.
De bezitters van deze schepen willen de authenticiteit van hun schepen behouden, herstellen of imiteren. Soms worden zelfs compleet nieuwe replica’s gebouwd.
Bij alle restauratie –en herstelwerk gaat het om de authenticiteit, het herstel van de oorspronkelijke staat, maar dan wel tot op zekere hoogte, want er wordt gebruik gemaakt van moderne materialen en ook worden er concessies aan de authenticiteit gedaan. Want veiligheid, snelheid, modern comfort en bedrijfszekerheid gaan nu eenmaal niet helemaal samen met de toestand van vroeger. Als men aan de eigenaren vraagt wat die authenticiteit dan wel is, dan ontstaat er snel een grote spraakverwarring.
Het blijkt dat de zoektocht naar het authentieke vele routes en vele eindpunten kan hebben. Eigenlijk is het een zoektocht naar het ongrijpbare echte.
Dit thema staat dan ook centraal bij het symposium dat de werkgroep Maritieme Geschiedenis van de Fryske Akademy organiseert. Enkele inleiders zetten hun ideeën over authenticiteit uiteen.

Symposium Op zoek naar het echte
Vrijdag 31 januari 2014, 13.30-17.30 uur,
congres- en studiecentrum It Aljemint
Doelestraat 4-6, 8911 DX Leeuwarden
Programma
13.00 uur Inloop, koffie/thee
13.30 uur Welkom en opening
13.35 uur Lourens Touwen - Over de noodzaak van historisch onderzoek bij scheepsrestauraties
Lourens Touwen is bezig met de restauratie van de tjalk Trijntje, die jaren als verlengde motortjalk Spes aan de Harlingertrekvaart lag. Hij werkt aan de oprichting van de Stichting ScheepsHistorisch Onderzoek (SHO). Touwen is directeur van het recreatieschap De Marrekrite.
14.20 uur Johan Prins - Verslag van de bouw van de Aebelina, een replica van een houten beurtschip uit de 19de eeuw
Johan Prins was aanvankelijk werkzaam als maat en schipper op de bruine vloot. Daarna kwam hij in de reparatie en restauratie van houten schepen terecht. Momenteel is hij directeur van een scheepsreparatiewerf te Workum.
15.05 uur Pauze met thee/koffie
15.30 uur Peter Tolsma - Organisatieperikelen rond de ronde en platbodemjachten
Peter Tolsma had sinds 1980 een organisatie-adviesbureau in Groningen.
Daarnaast was hij vice-voorzitteren voorzitter van de Stichting Ronde en Platbodemjachten. Momenteel is hij voorzitter van de Criteriumcommissie van diezelfde stichting.
Hij publiceerde boeken en artikelen en werkte onder andere mee aan het standaardwerk De Boeier en De Lemsteraak; trots der Zuiderzee.
16.15 uur Klaas Jansma - Over de spanning tussen originaliteit, authenticiteit en sportieve prestaties bij het skûtsjesilen
Klaas Jansma is journalist en directeur van een publiciteitsbureau.
Hij publiceerde vele boeken en was onder andere redacteur van het boek Troch de Wyn, een standaardwerk over skûtsjes. Hij was jarenlang als verslaggever betrokken bij het skûtsjesilen.
17.00 uur Afsluiting
Na afloop is er een hapje en een drankje.

Dagvoorzitter: Sippy Tigchelaar
Sippy Tigchelaar is werkzaam als verslaggever bij Omrop Fryslân en was met Klaas Jansma jarenlang verslaggever van het skûtsjesilen.

Opgave
Aan het bijwonen van dit symposium zijn geen kosten verbonden, opgave is echter wel
noodzakelijk. Dit kan tot uiterlijk 26 januari 2014 via de website van de Fryske Akademy:
www.fryske-akademy.nl of telefonisch: (058) 213 14 14.

vrijdag 10 januari 2014

Een familieverhaal van een stoere voorvader

Gisteren las ik online het epische verhaal van Mark Stroop die tot in Irak zijn gestolen verhuurcabrio's terughaalde.
Toevallig kwam ik vandaag een ander verhaal tegen over Oeds Brouwer uit Dokkum die een minstens zo sterk staaltje van doortastendheid liet zien. Maar dan eind 18e eeuw!
Het is eerder gepubliceerd in De Sneuper 54 van maart 2000 door ons huidige redactielid Piet de Haan:
“Dit verhaal gaat over Oeds Andries (de oudste broer van Geert Brouwer die genoemd wordt in van Minnens boek P.d.H.). Oeds Andries was van beroep schipper, herbergier en koopman. Geboren op twaalf februari zeventien negen en zestig te Veenwouden. Hij was gehuwd met Gerrijtje Poppes de Beer die op zeven maart zeventien negentig te Dokkum geboren is.
Dit verhaal heb ik van mijn vader Siebe Brouwer gehoord en probeer het bij dezen zo waarheidsgetrouw weer te geven.
Oeds Andries Brouwer dus voortaan kort ik het af met Oeds was in dienst bij een paardenkoopman. Deze had een aantal paarden verkocht aan een handelaar die ze weer verkocht had aan het Franse leger. Deze handelaar woonde in een groot huis in Amsterdam maar was een slechte betaler. Toen het te lang duurde zei Oeds zijn baas tegen hem: Oeds, je gaat naar Amsterdam met een collega en je komt niet eerder terug voordat je het geld hebt. Zo gezegd, zo gedaan. Dat op een goede dag vertrok Oeds met de trekschuit naar Amsterdam. Daar aangekomen gingen ze bij de huizen langs totdat ze mijnheer thuis vonden. In een glimp had Oeds al gezien dat mijnheer thuis was.
Na hun bellen deed een dienstmeisje open en zei:”mijnheer is niet thuis” Maar de heren stapten meteen naar binnen, gingen op een bank zitten en zeiden:”nu dan wachten wij wel even” Dat wachten werd beloond en toen ze weer vertrokken hadden ze het geld in de buidel.

Ze zeiden tegen elkaar: We zijn hier nu eenmaal en willen de stad ook even bekijken. Al wandelende kwamen ze bij het IJ en daar lagen allerlei soorten schepen, groot en klein. Maar één ervan trok nog al hun belangstelling. Het was geladen met allerlei zuidvruchten, cocosnoten, nootmuskaat enz. Ze raakten met de kapitein aan de praat en die vertelde dat het schip een beetje lek was en dat hij geregeld moest pompen om het boven water te houden. Ineens zei Oeds tegen hem: “ Wat moet je voor de hele zaak hebben, schip en lading?” Na wat loven en bieden, afdingen dus, het zit de Brouwers nog in het bloed, ging de handel door.
En zo aanvaardden Oeds en zijn maat al pompende de terugreis over de Zuiderzee naar Friesland. Daar deden ze in alle dorpjes waar ze langs kwamen handel. Toen ze in Dokkum aankwamen was de lading verkocht en hadden ze het schip ervan overgehouden. Toen zei zijn baas tegen Oeds: “Je bent een goed koopman, ik help je aan een nieuw schip en dan kun je met boter, kaas, eieren en graan naar Noorwegen en Zweden varen en kun je met basaltblokken voor de zeedijken terugkomen.
En aldus geschiedde. 

Tekst uit het boek van Van Minnen ‘Uit Dokkum een stad vol herinneringen’  blz. 77.
‘Buitenvaarders’
In 1840 waren er in Dokkum nog een tweetal zgn. ‘Buiten-vaarders’(kustvaarders). Het waren Rinickes (=Rienk) Visfer. Deze woonde op de Oostersingel. De tweede was Geert Andries Brouwer. Op zijn 63e jaar voer hij met zijn zoons Andries de matroos en Gerben de varensgezel op het Noorden. Ze vervoerden de lading per “Kofschip” of “Hekschuit”. Op de heenreis naar de Scandinavische landen voeren ze in ballast.
Dit waren vaak dakpannen en bakstenen, op de terugreis vaak hout voor de Dokkumer houthandelaren.
Een “Hekschip” was 66 voet lang en 12,5 voet breed. Ze werden op Friese hellingen gebouwd.

donderdag 2 januari 2014

De steen van Meester Chirurgijn Pieter Alma uit Ee

Kerk van Ee
In het memorieboek van vroedvrouw Catharina Schrader (bijgehouden van 1693-1745) komt in een passage een meester voor die de oorspronkelijke bezorger van het gepubliceerde boek met ca 25% van de transcripties  (Mart van Lieburg) niet kon thuisbrengen.
Op pagina 89 staat de volgende transcriptie:
(72a) 1696 den 22 juny bij Zitze wagemacker sin wif Jancke. War een meyster (en) een predikant present. Doch is noch met de hulpe van Godt dor mij verlost. Doch seer hart dat men alle twifelde vor de muder ent kint. Doch beyde wel.
(72b) 1696 dingesdag den 22 juny ben ick gehalt bij Zitse wagemacker bij sijn wif Jancke bij de drogerspipe. En har dor de hulpe van mijn Godt-anders war het onmogelick gewest- van een jonge son verlost. Ginck ser beswarlick dar domene Schregardus ock bij war met noch een meyster Pitter Vanij. Mar hebe, Godt lof, de saeke selves geredt. Lag het kyndt in de rechter side, ser wonderlick. 3-0
In het Belastingkohier van 1703 van Dokkum vinden we Bij de Dragers Piep de genoemde Sijtse Jochums, een wagenmaker, wiens vrouw Janke Martens geholpen werd.
Toevallig had ik nog aantekeningen uit de Protocolboeken Nedergerecht Oostdongeradeel waarin onder inv.nr. 103 (vroeger M7) Sijtse Jochums, in Altena (een buurtschap/streek tegen Dokkum aan), als verkoper van een huisinge, wagenmakerij en gereedschap staat vermeld. In 1713 verkoopt hij dit aan Jan Jochums, van Bornwird, en Saapke IJsbrants (fol. 107).
In DTB nr: 194, 1681 - 1700 vinden we de vermelding: Bevestiging huwelijk van 15 september 1695, Dokkum, Sijtse Jochums, Hantum en Jancke Martens, Holwerd.

Dominee Schregardus was de bekende Henricus Schregardus (ca. 1636-1702), die tevens als medisch doctor optrad. Het moet er dus ernstig hebben uitgezien.

Met 'meyster Pitter Vanij' wordt de chirurgijn Pieter (Pijtter) Alma uit Ee (1648-1721) bedoeld. Dit blijkt uit aantekeningen van de oud-bezitter van het Schrader manuscript, de vroed- en heelmeester Jan Jans Kiestra uit Ee, dat zich in de bibliotheek van het KNMG in de Bijzondere Collecties Universiteit van Amsterdam bevindt (evenals het originele memorieboekje van Catharina Schrader). Kiestra kocht het manuscript uit de boedel van de Leeuwarder doctor Fockema. Er is bij Tresoar zelfs nog een klein archiefje van Jan Jans Kiestra bewaard waarin oa vermeld: J.J. Kiestra is waarschijnlijk van 1837 tot ca. 1890 arts geweest te Ee bij Dokkum. Echter, stukken betreffende het uitoefenen van zijn beroep ontbreken geheel. Uit de schaars aanwezige stukken blijkt een grote interesse voor veel onderwerpen buiten zijn vakgebied, maar vooral een fascinatie voor de heelmeester Hendrik van Deventer (1651-1724) en de Labadisten.

Ons lid Douwe Zwart, kenner van de geschiedenis van Ee, is ook een grote bewonderaar van Kiestra. Hij kan er nog diverse anecdotes over oplepelen, zoals ooit over de verdwenen stenen uit het geboortehuis van Foeke Sjoerds!

Wat vinden we nog in de DTB over Pieter Alma?
Oostdongeradeel, dopen, doopjaar 1704
Dopeling: Wijgerius
Gedoopt op 27 april 1704 in Ee
Kind van Pijtter Alma, meester en niet genoemde moeder

Oostdongeradeel, dopen, doopjaar 1706
Dopeling: Tiaerdt
Gedoopt op 13 mei 1706 in Ee
Zoon van Pijtter Alma, mr. chirurgijn en niet genoemde moeder

Oostdongeradeel, dopen, doopjaar 1709
Dopeling: Heebeltie
Gedoopt op 1 november 1709 in Ee
Dochter van Pijtter Alma, mr. chirurgijn en niet genoemde moeder

Dokkum, huwelijken 1701
Vermelding: Attestatie afgegeven op 13 november 1701
Man       : Petrus Alma afkomstig van Kollum
Vrouw     : Gaatske Wijbrens Faber afkomstig van Roordahuizum
Opmerking : hij is mr.

Oostdongeradeel, huwelijken 1701
Vermelding: Bevestiging huwelijk op 20 november 1701 in Ee
Man       : Petrus Alma afkomstig van Ee
Vrouw : Gatske Wybrens Faber afkomstig van Roordahuizum

Maar wat ik eigenlijk nog wilde weten over Pieter Alma: Er moet een grafsteen van hem bewaard gebleven zijn. Tenminste, volgens Jan Jans Kiestra. Die meldt in zijn papieren: Zijn grafsteen is bewaard in de kerk van Ee, in het voorportaal met de tekst: Anno 1721 den 15 september is in de Heere gerust den Eersamen en seer discrete Pijtter Alma, in sijn leven geweest Mr. Chirurgijn tot Ee, oud sijnde omtrent 73 jaren en leit alhier begraven.
Hessel de Walle heeft er wel eens naar gezocht maar niks kunnen vinden. Iemand een idee waar die steen in Ee gebleven is (toch ergens in de toren verstopt)?